Bijlage 3 Specifieke brandveiligheidsnormen voor toeristische logiezen

(versie van 19 03 2019)

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Doel

Artikel 1.2 Toepassingsgebied 

Artikel 1.3 Terminologie 

Artikel 1.4 Reactie van de materialen bij brand

Artikel 1.5 Automatische branddetectie

Overgangsprocedure vóór 1 april 2022

Hoofdstuk 2 Inplanting en toegangswegen

Artikel 2.1 Inplanting

Artikel 2.2 Toegangswegen

Hoofdstuk 3 Compartimentering en evacuatie

Artikel 3.1 Compartiment

Artikel 3.2 Tweede onafhankelijke evacuatieweg

Artikel 3.3 Veilige evacuatiewegen

Hoofdstuk 4 voorschriften voor sommige bouwelementen

Artikel 4.1 Doorvoeringen door wanden

Artikel 4.2 Structurele elementen

Artikel 4.3 Verticale wanden

Artikel 4.4 Plafonds en valse plafonds

Hoofdstuk 5 Voorschriften voor de constructie van compartimenten en evacuatievoorzieningen

Artikel 5.1 Compartimenten

Artikel 5.2 Binnen- en buitentrappen

Artikel 5.3 Buitenladders

Artikel 5.4 Breedte van traparmen, overlopen en sassen

Artikel 5.5 Evacuatiewegen

Artikel 5.6 Signalisatie

Hoofdstuk 6 Constructievoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten

Artikel 6.1 Stookplaatsen waarvan het gemeenschappelijk vermogen van de stookinstallaties meer dan 30 kW bedraagt

Artikel 6.2 Parkeergarages

Artikel 6.3 Restaurants en keukens, met uitzondering van huishoudelijke keukens

Hoofdstuk 7 Uitrusting van de gebouwen

Artikel 7.1 Liften en goederenliften 

Artikel 7.2 Liften met prioritaire oproep

Artikel 7.3 Elektrische installatie voor drijfkracht, verlichting en signalisatie

Artikel 7.4 Verwarmingstoestellen

Artikel 7.5 Gastoevoerleidingen

Artikel 7.6 Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding

Hoofdstuk 8 Bekleding en wandversiering

Hoofdstuk 9 Onderhoud en controles

Artikel 9.1 Algemeen

Artikel 9.2 Periodieke controles

Hoofdstuk 10 Uitbatingsvoorschriften

Artikel 10.1 Algemeen

Artikel 10.2 Veiligheidsvoorzieningen

Artikel 10.3 Kooktoestellen en maaltijdverwarmers

Artikel 10.4 Voorlichting van personeel en voor gasten over de brandpreventie

Artikel 10.5 Gasinstallaties

Artikel 10.6 Opslagplaatsen voor brandstoffen 

Artikel 10.7 Andere Maatregelen

Vragen

Is er een attest nodig voor de brandwerendheid van de vloeren of de wanden?

Wat is het verschil tussen een ‘Toerisme voor Allen‘ verblijf en een hostel?

Brandwerendheid toegangsdeur vakantie – appartement in een appartementsblok?

Welk brandattest bij het aanbieden van een vakantiewoning zowel als individueel als de vakantiewoning in zijn geheel?


 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Doel

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel:

  1. het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2. de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3. het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.

Artikel 1.2 Toepassingsgebied 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies.

Artikel 1.3 Terminologie 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De definities, vermeld in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, zijn van toepassing. 

De inrichtingen worden ingedeeld in drie categorieën: 

  1. categorie 1: inrichtingen waarvan een of meer verhuureenheden op de eerste, tweede of derde bovengrondse bouwlaag, met inbegrip van het laagste evacuatieniveau, liggen; 
  2. categorie 2: inrichtingen waarvan een of meer verhuureenheden hoger dan de derde bovengrondse bouwlaag, maar op minder dan 25 meter hoogte liggen;
  3. categorie 3: inrichtingen waarvan de verhuureenheden op 25 meter hoogte of hoger liggen

Artikel 1.4 Reactie van de materialen bij brand

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De indeling in klassen, vermeld in bijlage 1 punt 3 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, zijn van toepassing.

De basisnormen vind je terug op http://www.wtcb.be/homepage/index.cfm?cat=services&sub=standards_regulations&pag=fire&art=standards_and_regulations&niv01=belgian_fire_safety_requirements&niv02=base_standards

Artikel 1.5 Automatische branddetectie

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Binnen een periode van vijf jaar 5 (1 april 2022) na de inwerkingtreding van dit besluit beschikt het toeristisch logies over een automatische branddetectie die beantwoordt aan de voorschriften van punt 7.6.4.

Voorbeeld: een exploitant beschikt over een brandattest A op datum van 1 december 2017. De geldigheid is 8 jaar tot 1 december 2024. Het brandbesluit bepaalt dat een toeristisch logies uit bijlage 3 op 1 april 2022 dient te beschikken over een algemene automatische branddetectie. Indien zou vastgesteld worden na 1 april 2022 dat een toeristisch logies nog niet beschikt over een conforme algemene automatische branddetectie installatie dan zal een B-attest uitgereikt worden met een geldigheid van maximaal 1 jaar om de exploitant alsnog de gelegenheid te geven zijn toeristisch logies te conformeren (analoog principe voor de zelfsluitend te maken toegangsdeuren tot verhuureenheden). Bij het ontbreken van een algemene branddetectie zullen steeds minstens autonome detectoren vereist worden.

Het brandbesluit voorziet geen koppeling van de brandkleppen met de algemene automatische branddetectie (voor gebouwen niet onderworpen aan de federale basisnormen).

Voor het kleinschalig logies tot 5 kamers en 12 personen (bijlage 2) wordt autonome branddetectie verplicht door de norm 4.4.

Voor een toeristisch logies vanaf 6 kamers en meer dan 12 personen (bijlage 3) is de algemene automatische branddetectie vanaf 1 april 2022 verplicht.

Dit kan foutief geïnterpreteerd worden alsof logies vanaf 6 kamers voor meer dan 12 personen noch over autonome noch over algemene automatische branddetectie moet beschikken tot 1 april 2022. 

De tekst van artikel 1.5 uit bijlage 3 wordt aangepast:

Indien het toeristisch logies niet beschikt over een algemene automatische branddetectie dan is iedere ruimte (de ruimte met de slaapplaats zelf inbegrepen) op het traject tussen een ruimte met een slaapplaats en de toegangsdeur van het toeristische logies uitgerust met minstens één autonome branddetector. Als die ruimte bestaat uit verschillende bouwlagen, wordt er in minstens één detector per bouwlaag voorzien. De branddetectoren hebben een niet-vervangbare batterij met een levensduur van minstens vijf jaar en voldoen aan de norm EN 14604. De branddetectoren zijn geplaatst en worden onderhouden volgens de voorschriften van de fabrikant. 

Hoofdstuk 2 Inplanting en toegangswegen

Artikel 2.1 Inplanting

eerste lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Ieder toeristisch logies wordt van nevenliggende gebouwen of andere toeristische logiezen afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60. 

Aan deze voorwaarden moet niet voldaan worden als het toeristische logies minstens vier meter verwijderd is van het nevenliggende gebouw of toeristische logies en er zich in die vrije ruimte geen brandbare elementen bevinden. 

Eventuele verbindingen of doorgangen in die wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130. 

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’ en geldt voor wanden (in geval van metselwerk of beton) en vloeren (in geval van beton). Het is de bedoeling om zo ook wanden toe te laten waarvan de brandweerstand EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden.

tweede lid uit bijlage 3 van het BVR Brandveiligheidsbesluit

Als verschillende gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn de openingen voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130.

derde lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door: 

  1. horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton; 
  2. zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130. 

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn. 

De privé slaapkamer van de exploitanten wordt als functioneel gerelateerd beschouwd aan de uitbating van gastenkamers. 

Het wonen (en dus ook slapen) van de uitbater en zijn gezin is eigen aan de exploitatie van een gastenkamer. De private slaapkamers worden bijgevolg als functioneel - gerelateerd beschouwd! 

Dit betekent dat er geen branddeuren aan de private slaapkamer(s) van de uitbater(s) (en zijn gezin) nodig zijn.

Als de uitbater de woning ook beroepshalve gebruikt dan wordt het professionele gedeelte wel met een branddeur afgescheiden. 

Voorbeelden: een advocatenkantoor in de woning, een restaurant, …

Wie geeft zijn akkoord betreffende de brandwerendheid voor wanden waarvan geen attest ter beschikking is?

Metselwerk of beton worden aanvaard zonder attestering. Het gebruik van andere materialen als wand (horizontaal of verticaal) moet dus geattesteerd worden op basis van vermelde EI-waardes. 

Indien een deur een brandweerstand moet hebben, dan moet deze brandweerstand aan te tonen zijn.  U kan dit aantonen via een RF-zegel aan de zijkant van de deur (heel zelden ook aan de bovenzijde terug te vinden) of een zwelstrip (meestal nog zichtbaar) aan de bovenzijde van het deurblad.

Indien een RF-zegel niet aanwezig of leesbaar (bijv. overschilderd) is, of de zwelstrip niet zichtbaar is, dient u de brandweerstand aan te tonen via een attest of een vergelijkbaar document (verklaring, plaatsing, factuur,….)  Dit attest of vergelijkbaar document garandeert de compartimentering van het logies. 

Een (gecertificeerde)  schrijnwerker, architect of studiebureau kan dit attest of vergelijkbaar document afleveren.

Opgelet: een aankoopfactuur van een deur zonder plaatsing volstaat niet! Er moet kunnen  aangetoond worden dat die “geleverde” RF-deur ook effectief geplaatst werd conform de regels. Bij het ontbreken van een attest kan er eventueel een afwijking bij de technische commissie  brandveiligheid worden aangevraagd.

vijfde lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit      

In hetzelfde gebouw kunnen zich verschillende toeristische logiezen bevinden. 

Als zich in hetzelfde gebouw verschillende toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid bevinden, zijn die toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid brandwerend ten opzichte van elkaar gescheiden en beschikken ze elk over eigen onafhankelijke evacuatiewegen. 

Let op want het aantal verhuureenheden is belangrijk! 

Zoals gezegd vormt een vakantie-appartement één verhuureenheid.

Een gebouw met verschillende vakantie - appartementen betekent dat er slechts één soort toeristisch logies aanwezig is met name (verschillende) vakantie appartementen. 

Dit betekent dat bijvoorbeeld twee vakantie appartementen:

  • brandwerend ten opzichte van elkaar moeten worden gescheiden (norm 3.1)
  • brandwerend van niet functioneel gerelateerde ruimten moet worden gescheiden (norm 3.2)
  • mogen gebruik maken van dezelfde (twee) onafhankelijke evacuatiewegen van het gebouw

Verschil met twee kamers van de gastenkamerexploitatie (twee verhuureenheden):

  • de kamers niet brandwerend moeten worden gescheiden ten opzichte van elkaar
  • elke kamer moet beschikken over twee onafhankelijke evacuatiewegen
  • brandwerend van niet functioneel gerelateerde ruimten moet worden gescheiden (norm 3.2)

Een gemeenschappelijk badkamer of een gemeenschappelijke ruimte in een exploitatie wordt niet als tweede evacuatieweg van de slaapruimte van een gastenkamer zelf aanvaard.

Artikel 2.2 Toegangswegen 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De toegangswegen worden bepaald in overleg met de bevoegde brandweerdienst.

Hoofdstuk 3 Compartimentering en evacuatie

Artikel 3.1 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Iedere bouwlaag die geen normaal evacuatieniveau is, vormt een of meer compartimenten. De oppervlakte van een compartiment is kleiner dan 1250 m². De lengte van een compartiment is de afstand tussen de twee punten van het compartiment die het verst van elkaar verwijderd zijn. Deze afstand bedraagt niet meer dan 75 m. 

Artikel 3.1.1 

uit bijlage van het Brandveiligheidsbesluit

De volgende afwijkingen zijn toegestaan:

  1. een compartiment kan gevormd worden door twee opeenvolgende bouwlagen met binnenverbindingstrappen - duplex - als de gecumuleerde oppervlakte van die twee bouwlagen niet groter is dan 700 m²; 
  2. de parkeerruimten;
  3. de bepalingen gelden niet voor het toeristische logies dat bestaan uit één verhuureenheid met minder dan 33 slaapplaatsen in een gebouw van categorie 1.

Met ‘de gecumuleerde oppervlakte van die bouwlagen’ bedoelt men uiteraard de som van de oppervlakte van de beide bouwlagen van het betreffende compartiment.

Artikel 3.2 

eerste lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De evacuatiewegen zijn oordeelkundig verdeeld over het gebouw en laten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toe. 

Ieder compartiment heeft minstens twee evacuatiewegen. 

Indien de bezetting 50 of meer dan 50 personen bedraagt, wordt het aantal uitgangen van de bouwlagen en lokalen bepaald zoals voor de compartimenten.

Met evacuatieweg wordt de weg om te kunnen ontsnappen bedoeld.

De evacuatiemogelijkheden zelf zijn is de constructies die het ontsnappen mogelijk maakt zoals raam, gang, trap, terras…..

Wat betreft het alternatief 3.2, 1° a en 2° a: tweede binnentrap als tweede onafhankelijke evacuatieweg in een groot gebouw bijvoorbeeld een appartementsblok aan zee:

Voorbeeld: afzonderlijke vakantie – appartementen gelegen boven de 9de verdieping, buiten bereik van de hoogtewerker van de brandweer. Het gebouw voldoet aan de federale basisnormen (bijlage 4/1). Er zijn twee onafhankelijke (afgesloten) trappenhuizen met een sas. 

De vakantie – appartementen zijn ten opzichte van elkaar gecompartimenteerd:

Twee onafhankelijke binnentrappenhuizen conform de basisnormen kunnen als twee onafhankelijke evacuatiewegen (tweede binnentrap) worden aanvaard op voorwaarde dat:

  1. De binnenwanden van de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben  een brandwerendheid EI 30. De trappenhuizen zijn toegankelijk via deuren met brandwerendheid EI130.
  2. De wanden van de evacuatieweg tussen de normale uitgang van de vakantiewoning en de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben  een brandwerendheid EI 30.
  3. De twee evacuatiewegen moeten op het gelijkvloers ook onafhankelijk blijven. De twee trappenhuizen mogen bijgevolg op het gelijkvloers niet in dezelfde evacuatieweg uitkomen omdat zoniet de onafhankelijkheid in het gedrang komt.
Figuur uit het ontwerpen van een brandveilig gebouw

Figuur uit het ontwerpen van een brandveilig gebouw - PHLdA - PVL AFL. 9 / DEC 00 - O die keure 4.91p1.6.

 • = traphal 

Rode lijn = wanden die beschikken over de nodige brandweerstand

derde lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De eerste evacuatiemogelijkheid is de normale uitgang.

vierde lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid voor het kamergebonden logies uit categorie 1 zijn: 

  • een tweede binnentrap die verbonden is met de eerste evacuatieweg; 
  • een buitentrap die verbonden is met de eerste evacuatieweg; 
  • een al of niet uitklapbare buitenladder per verhuureenheid; 
  • een opengaand raam per verhuureenheid, als de verhuureenheid zich op het evacuatieniveau of de eerstbovenliggende verdieping bevindt. Het raam moet een vlotte evacuatie toelaten; 

Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid voor het kamergebonden logies uit categorie 2 en de categorie 3 zijn:

  • een tweede binnentrap die verbonden is met de eerste evacuatieweg; 
  • een buitentrap die verbonden is met de eerste evacuatieweg.

Geen enkel punt van een compartiment mag zich verder bevinden dan: 

  1. twintig meter van de evacuatieweg die de trappen of uitgangen verbindt; 
  2. dertig meter van de toegang tot de dichtstbijzijnde trap of uitgang; 
  3. zestig meter van de toegang tot een tweede trap of uitgang. 

De uitgangen leiden naar buiten of naar een ander compartiment. 

De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 meter bedragen.

De in openlucht af te leggen weg speelt geen rol bij het berekenen van die afstanden. 

Op de deuren op die wegen mag er geen vergrendeling zijn aangebracht die de evacuatie kan belemmeren. 

Voor inrichtingen van categorie 1 en 2 met minder dan 33 slaapplaatsen mag ook van de autoladders van de brandweer gebruikgemaakt worden als tweede evacuatiemogelijkheid, op voorwaarde dat aan al de onderstaande eisen voldaan is: 

  1. de inrichting is uitgerust zijn met een automatische branddetectie; 
  2. iedere verhuureenheid beschikt over een raamopening die of een terras dat bereikbaar is voor de autoladders van de brandweer. Door het raam is een vlotte evacuatie mogelijk; 
  3. de toegangsdeur en de verticale binnenwanden van de verhuureenheid hebben minstens een brandwerendheid EI130.

Indien het toeristisch logies niet beschikt over een algemene automatische branddetectie dan is iedere ruimte (de ruimte met de slaapplaats zelf inbegrepen) op het traject tussen een ruimte met een slaapplaats en de toegangsdeur van het toeristische logies uitgerust met minstens één autonome branddetector.  Als die ruimte bestaat uit verschillende bouwlagen, is er minstens één detector per bouwlaag voorzien.

De branddetectoren hebben een niet-vervangbare batterij met een levensduur van minstens vijf jaar en voldoen aan de norm EN 14604. De branddetectoren zijn geplaatst en worden onderhouden volgens de voorschriften van de fabrikant. 

Binnen een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit beschikken alle toeristische logiezen over een automatische branddetectie conform de norm 7.6.4.

Als het toeristische logies bestaat uit één verhuureenheid met maximaal 32 slaapplaatsen:

  • mogen gekoppelde autonome rookdetectors de automatische branddetectie vervangen. Het toeristische logies beschikt dan over een autonoom gekoppelde rookdetector in iedere ruimte van het toeristische logies
  • hoeft men de gekoppelde rookdetectoren na 1 april 2022 niet te vervangen.

Artikel 3.3 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden, zonder versperringen. 

De evacuatiewegen zijn zo aangelegd en verdeeld dat ze altijd onafhankelijk blijven van elkaar. Een evacuatieweg blijft bruikbaar als een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.

Hoofdstuk 4 Voorschriften voor sommige bouwelementen

Toeristische logiezen die niet over een automatische branddetectie als vermeld in punt 7.6.4 van deze bijlage, beschikken, moeten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in punt 4.2 tot en met 4.4.

Artikel 4.1 Doorvoeringen door wanden

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Doorvoeringen dwars door horizontale en verticale wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.

Artikel 4.2 Structurele elementen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De constructieve elementen die de stabiliteit van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken en vloeren, en andere essentiële delen die de draagconstructie van het gebouw vormen, zijn gebouwd in metselwerk of beton, beschikken over een algemene automatische branddetectie of hebben: 

  1. een brandwerendheid R30 voor inrichtingen van categorie 1; 
  2. een brandwerendheid R60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3. 

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de constructieve elementen van het dak.

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’ en geldt voor wanden (in geval van metselwerk of beton) en vloeren (in geval van beton). Het is de bedoeling om zo ook wanden toe te laten waarvan de brandweerstand EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden. 

Artikel 4.3 Verticale wanden

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De verticale binnenwanden die de verhuureenheden begrenzen, hebben minstens een brandwerendheid EI 30 of zijn gebouwd in metselwerk of beton of beschikken over een algemene automatische branddetectie. Deze bepaling is niet van toepassing op de deuren. 

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’. Het is de bedoeling om zo ook wanden toe te laten waarvan de brandweerstand EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden.

Artikel 4.4 Plafonds en valse plafonds

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

In de evacuatiewegen van de inrichtingen van categorie 3 hebben de verlaagde plafonds een stabiliteit bij brand van 30 minuten beton 

Hoofdstuk 5 Voorschriften voor de constructie van compartimenten en evacuatievoorzieningen

Artikel 5.1 Compartimenten

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De wanden tussen de compartimenten zijn gebouwd in metselwerk of beton, of hebben minstens: 

  1. een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1; 
  2. een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3 

Voor de verbinding tussen twee compartimenten zijn alleen zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130 toegestaan. 

Als de wanden en deuren niet aan die eisen van brandwerendheid voldoen, is de inrichting uitgerust met een automatische branddetectie.

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor  ‘bestaande gebouwen’. Het is de bedoeling om zo ook wanden toe te laten waarvan de nodige brandweerstand EI 30 of EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden

Artikel 5.2 Binnen- en buitentrappen

eerste lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Iedere binnentrap in een inrichting van categorie 1 met meer dan 32 slaapplaatsen,  of in een inrichting van categorie 2 en 3 wordt ommuurd. Voor de inrichtingen van categorie 1 met meer dan 32 slaapplaatsen en categorie 2 mogen de muren en de toegangsdeuren van de verhuureenheden per bouwlaag de ommuring vormen. 

De binnenwanden van de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben: 

  1. een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1. Als aan die eis niet is voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een automatische branddetectie.
  2. een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3.

Indien er voor logies van categorie 1 onzekerheid (welke materialen?) of onduidelijkheid (geen attest?) is omtrent de wanden van de evacuatieweg, dan kan de automatische branddetectie als compensatiemaatregel aanvaard worden. De evacuatiewegen van een logies moeten, net als de wanden van de verhuureenheden zelf, steeds vaste gesloten wanden zijn (enkel de noodzakelijke verbindingselementen zoals deuren zijn er in toegelaten).

De compensatiemaatregel van automatische branddetectie geldt niet voor de traphal

De evacuatie van een logies uit categorie 1 en de wanden van de verhuureenheden dienen vast gesloten wanden te zijn.

derde lid uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De trappenhuizen zijn toegankelijk:

  1. voor inrichtingen van categorie 1 met meer dan 32 slaapplaatsen, en voor inrichtingen van categorie 2: via massieve houten deuren, deuren met gewapend glas of deuren met brandwerendheid EI130; 
  2. voor inrichtingen van categorie 3: via deuren met  brandwerendheid EI130. 

Boven aan ieder trappenhuis bevindt zich een horizontale, verticale of hellende verluchtingsopening die uitmondt in openlucht en die een doorsnede heeft van minstens: 

  1. 0,50 m² voor inrichtingen van categorie 1 met meer dan 32 slaapplaatsen, en voor inrichtingen van categorie 2; 
  2. 1 m² voor inrichtingen van categorie 3. 

De brandweer opent de verluchtingsopening met behulp van een manueel te bedienen systeem, dat goed zichtbaar op het evacuatieniveau wordt geplaatst.

Eventueel nieuw te bouwen trappen zijn voorzien van een stevig vastgehechte leuning. De nuttige breedte ervan is minstens 0,80 meter. Voor trappen met een nuttige breedte van minder dan 1,20 meter is één leuning voldoende. De maximale hellingshoek is 37°. De treden mogen van het verdreven type zijn op voorwaarde dat de aantreden op de looplijn 24 centimeter breed zijn.

Nieuw te bouwen buitentrappen zijn aan beide kanten voorzien van een stevig vastgehechte leuning. De nuttige breedte ervan is minstens 0,80 meter. Op de treden van de buitentrappen is antislip aangebracht en de maximale hellingshoek is 45°. Buitentrappen zijn duidelijk gesignaleerd en verlicht.

Artikel 5.3 Buitenladders

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Buitenladders zijn stevig bevestigd, verlicht (zowel functionele verlichting als veiligheidsverlichting) en gesignaleerd. Bij gebruik van opklapbare ladders worden de aanwezigheid en de gebruikswijze ervan duidelijk gesignaleerd.

Artikel 5.4 Breedte van traparmen, overlopen en sassen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De breedte van de traparmen, de overlopen en de sassen bedraagt minstens 0,80 meter. In gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972, is een breedte vanaf 0,70 meter toegestaan.

Voor inrichtingen van categorie 1 met meer dan 32 slaapplaatsen, categorie 2 en 3 hebben de trappen een nuttige breedte die minstens gelijk is, in centimeter, aan het aantal personen dat de trappen moet gebruiken om de uitgang van het gebouw te bereiken, vermenigvuldigd met 1,25 als de personen omlaag moeten gaan naar de uitgang, en vermenigvuldigd met 2 als ze omhoog moeten gaan naar de uitgang. 

Voorbeeld:

  • Voor 100 personen met uitgang naar omlaag: 100 x 1.25 = 125 cm
  • Voor 100 personen met uitgang naar boven: 100 x 2= 200 cm

Bij de berekening van de breedte van de trappen moet er rekening mee gehouden worden dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping tegelijk op de naburige verdieping komen en dat die al ontruimd moet zijn als ze er aankomen. 

Onder de personen die geëvacueerd moeten worden, worden niet alleen de personeelsleden van de inrichting verstaan, maar ook de bezoekers, de gasten en de andere personen die de trappen, evacuatiewegen, uitgangen en wegen naar de uitgangen gebruiken. 

Als niet bij benadering vastgesteld kan worden hoeveel personen het gebouw tegelijk moeten kunnen evacueren, stelt de exploitant dat aantal op zijn eigen verantwoordelijkheid vast

Artikel 5.5 Evacuatiewegen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De evacuatiewegen, de uitgangen en de wegen die ernaartoe leiden, zijn minstens 0,80 meter breed. In gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972, is voor de deuren een breedte vanaf 0,70 meter toegestaan.

De evacuatiewegen, de uitgangen en de wegen die ernaartoe leiden, hebben een nuttige breedte die minstens gelijk is, in centimeter, aan het aantal personen die de evacuatiewegen, de uitgangen en de wegen die ernaartoe leiden, moeten gebruiken om de uitgang van het gebouw te bereiken.

De nuttige breedte van de vluchtterrassen bedraagt minstens 0,60 meter.

De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben: 

  1. een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1. Als aan die eis niet is voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een automatische branddetectie; 
  2. een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3

Binnen een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, zijn alle toegangsdeuren van de verhuureenheden zelfsluitend of bij brand zelfsluitend.

Dit artikel moet worden samen gelezen met artikel 2.1, vierde lid met name:

Indien de toegangsdeur van het toeristisch logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is dan moet deze deur niet zelfsluitend zijn of bij brand zelfsluitend zijn.

Dit betekent bijvoorbeeld in een appartementsgebouw – dat de toegangsdeur van de verhuureenheid niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend dient te zijn.

De deuren in evacuatiewegen die twee uitgangen verbinden, gaan in beide richtingen open.

De deuren in evacuatiewegen, met uitzondering van de toegangsdeuren van de verhuureenheden en de gebruikelijke hoofduitgang van het gebouw waarin het toeristisch logies ligt, gaan open in de evacuatierichting.

Schuifdeuren, draaideuren en draaipaaltjes die niet handmatig opengaan in geval van paniek, zijn alleen toegestaan als aanvulling op gewone deuren en doorgangen. Die schuifdeuren, draaideuren en draaipaaltjes mogen in geen geval de evacuatie hinderen.

Artikel 5.6 Signalisatie

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Aan iedere bouwlaag wordt een volgnummer toegekend, met inachtneming van de volgende regels: 

  1. de nummers vormen een ononderbroken reeks; 
  2. het normale evacuatieniveau draagt het nummer 0; 
  3. de bouwlagen die onder het normale evacuatieniveau liggen, dragen een negatief nummer; 
  4. de bouwlagen die boven het normale evacuatieniveau liggen, dragen een positief nummer.

Het volgnummer van iedere bouwlaag wordt duidelijk leesbaar aangegeven op de overlopen en in de evacuatiewegen bij trappenhuizen en liften.

De uitgang, de nooduitgang en de richting naar die uitgangen worden aangeduid overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalisatie op het werk, zoals gewijzigd.

Langs de evacuatiewegen mogen geen spiegels worden aangebracht op plaatsen waar de gasten zich daardoor zouden kunnen vergissen in de richting naar de trappen en de uitgangen.

Hoofdstuk 6 Constructievoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten

Artikel 6.1 Stookplaatsen waarvan het gemeenschappelijk vermogen van de stookinstallaties meer dan 30 kW bedraagt

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De muren, wanden, vloeren en zolderingen van de stookplaatsen hebben minstens een brandwerendheid EI 60 of zijn gebouwd uit metselwerk of beton. 

Iedere verbinding tussen de stookplaats en het gebouw en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, moet afgesloten zijn door een deur met een brandwerendheid EI130. Die deuren sluiten automatisch. Ze zijn niet voorzien van een toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden. 

De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht worden. 

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op generatoren met een vermogen kleiner dan 70 kW die werken op gas en die een gesloten verbrandingsruimte bezitten met mechanische trek.

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’. Het is de bedoeling om zo ook wanden of vloeren toe te laten waarvan de nodige brandweerstand EI 30 of EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden.

Artikel 6.2 Parkeergarages

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Parkeergarages voor drie autovoertuigen of meer zijn van de rest van het gebouw afgescheiden door wanden met een brandwerendheid EI 60, of zijn vervaardigd uit metselwerk of beton. De deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI130 en zijn zelfsluitend of bij brand zelfsluitend. 

Artikel 6.3 Restaurants en keukens, met uitzondering van huishoudelijke keukens

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De keukens en de combinaties keuken-restaurant, uitgerust met kook-, braad-, bak- of frituurinstallaties, zijn begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton, of een brandwerendheid hebben van: 

  1. EI 30 voor inrichtingen van categorie 1; 
  2. EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3. 

Deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI130 en zijn zelfsluitend of bij brand zelfsluitend.

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton’ is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’. Het is de bedoeling om zo ook wanden toe te laten waarvan de nodige brandweerstand EI 30 of EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden.

Wat is een huishoudelijke keuken?

Door het ontbreken van een definitie neemt men het volgende als criterium:

  1. de capaciteit van de accommodatie
  2. het vermogen van de keuken
  3. wie de keuken bedient: personeel hostel of zelfbediening

Een huishoudelijke keuken is beperkt tot een gebruik voor maximaal voor 12 personen (bijlage 2) 

Hoofdstuk 7 Uitrusting van de gebouwen

Artikel 7.1 Liften en goederenliften 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Het geheel van de liften en goederenliften die bestaan uit een of meer schachten, is begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton, of die een brandwerendheid hebben van: 

  1. EI 30 voor inrichtingen van categorie 1; 
  2. EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3. 

Er wordt een uitzondering gemaakt voor de voorkant van de liftbordessen en de wanden die deel uitmaken van de gevel. 

De liftbordesvoorkanten, de deuren inbegrepen, bezitten een brandwerendheid E 30.

Artikel 7.2 Liften met prioritaire oproep

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Iedere inrichting van categorie 3 wordt bediend door een lift met prioritaire oproep. Die lift geeft uit op een evacuatieniveau dat gemakkelijk toegankelijk is voor de brandweer. Als verschillende liftengroepen eenzelfde compartiment bedienen, dan bezit iedere liftgroep een prioritaire lift. 

Aan die vereiste is voldaan: 

  1. als een lift vanaf dit evacuatieniveau alle bovenliggende verdiepingen bedient; 
  2. als verschillende liften vanaf dit evacuatieniveau een gedeelte van de bovenliggende verdiepingen bedienen, op voorwaarde dat het geheel van de liften met prioritaire oproep de toegang tot alle compartimenten van het gebouw mogelijk maakt. 

Op het liftbordes van het evacuatieniveau is een brandweerschakelaar aangebracht, waarmee de voorkeursgroep kan worden gegeven. 

Met de brandweerschakelaar moet de liftkooi snel kunnen worden opgeroepen na aankomst op het evacuatieniveau, zonder buitenoproepen te beantwoorden. De brandweerschakelaar moet in een kastje zijn aangebracht dat voorzien is van een ruitje met het opschrift "brandweer".

Behalve de omstandigheden die hun specifieke gebruik noodzakelijk maken, worden de liften met prioritaire oproep normaal gebruikt.

Artikel 7.3 Elektrische installatie voor drijfkracht, verlichting en signalisatie

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Alleen elektrische verlichting is toegestaan.

Het vermogen van de autonome stroombronnen is voldoende om alle veiligheidsinstallaties, zoals de veiligheidsverlichting, de verluchtingsopeningen en de installaties voor melding, waarschuwing, alarm en detectie, te voeden. Voor de inrichtingen van categorie 3 is het vermogen ook voldoende voor de machines van de liften met prioritaire oproep. 

Zodra de normale voeding van het net uitvalt, verzekeren de autonome stroombron of stroombronnen automatisch en binnen dertig seconden de werking van de installaties gedurende een uur.

De evacuatiewegen, de vluchtterrassen, de overlopen, de liftkooien, de zalen of lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek, de lokalen waarin de autonome stroombronnen of de pompen voor de blusinstallaties opgesteld zijn, de stookafdelingen en de voornaamste borden, zijn voorzien van een veiligheidsverlichting met een horizontale verlichtingssterkte van ten minste 1 lux ter hoogte van de grond of van traptreden, in de as van de vluchtweg. Op plaatsen van de vluchtweg waar een gevaarlijke toestand bestaat, bedraagt de minimale horizontale verlichtingssterkte 5 lux. Deze gevaarlijke plaatsen kunnen bijvoorbeeld zijn: een richtingsverandering, een kruising, een overgang naar trappen, onvoorzien hoogteverschil in het loopvlak. 

Deze veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar valt deze uit, dan moet de voeding geschieden door één of meer autono(o)m(e) stroombron(nen). 

Autonome verlichtingstoestellen aangesloten op de kring die de betrokken normale verlichting voedt, mogen eveneens gebruikt worden voor zover zij alle waarborgen voor een goede werking bieden.

Artikel 7.4 Verwarmingstoestellen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De verwarmingstoestellen zijn zo gebouwd en opgesteld dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden.

De verwarmingstoestellen worden gebruiksklaar gehouden, ze zijn verbonden met een goed trekkende schoorsteen en ze zijn zo gemaakt dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is.

De schoorstenen en rookgangen van de verwarmingstoestellen zijn gebouwd uit onbrandbare materialen of ze voldoen aan norm NBN B 61-001 of NBN B 61-002.

De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookgangen zijn op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld of ze zijn er voldoende ver van afgezonderd dat brandgevaar voorkomen wordt.

De warmtegeneratoren met automatisch aansteekmechanisme die vloeibare of een gasvormige brandstof gebruiken, moeten zo uitgerust zijn dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen: 

  1. als de brander al dan niet automatisch stilvalt; 
  2. zodra de vlam toevallig uitdooft; 
  3. zodra er zich oververhitting of overdruk in de wisselaar voordoet; 
  4. in geval van onderbreking van elektrische stroom.

De verwarmingsinstallaties met warme lucht voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  1. de temperatuur van de lucht bedraagt op de verdelingspunten niet meer dan 80 °C; 
  2. de aanvoerkanalen van warme lucht zijn volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd.

In de verhuureenheden zijn elektrische verwarmingstoestellen toegestaan, met uitzondering van de toestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten. Individuele verwarmingstoestellen van het open verbrandingstype (geen gesloten verbrandingsruimte) zijn verboden.

Individuele verwarmingstoestellen van het OPEN verbrandingstype zijn verboden in de SLAAPRUIMTE.

Verwarmingselementen van het type B11 zijn gesloten en bijgevolg verboden. 

Artikel 7.5 Gastoevoerleidingen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Als het gebouw waarin de inrichting ligt, een algemene gastoevoerleiding bezit, is daarop minstens één handbediende afsluitkraan aangebracht. De afsluitkraan wordt geplaatst bij het begin van de leiding, op een behoorlijk aangeduide plaats.

Lokale verbrandingstoestellen in de kamers zijn verboden.

Artikel 7.6 Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Artikel 7.6.1 Toestellen voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Het toeristische logies beschikt over een noodzakelijke installatie voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding. 

Het aantal en het type toestellen worden bepaald door het brandrisico. De toestellen worden in voldoende aantal geplaatst en oordeelkundig gespreid, zodat ze ieder punt van de instelling kunnen bereiken. 

De nodige verbindingen worden bestendig en meteen verzekerd door telefoonlijnen of elektrische lijnen, of door elk ander systeem dat dezelfde werkingswaarborgen en dezelfde gebruiksfaciliteiten biedt. 

Elk toestel dat de verbinding tot stand kan brengen na menselijke interventie, draagt een bericht over zijn bestemming en gebruiksaanwijzing. Als het om een telefoontoestel gaat, vermeldt het bericht het te vormen oproepnummer, tenzij de verbinding rechtstreeks of automatisch tot stand wordt gebracht.

De waarschuwings- en alarmseinen of alarmberichten moeten door alle betrokken personen opgevangen kunnen worden en mogen niet onderling noch met andere seinen worden verward. 

Artikel 7.6.2 Brandmelding 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Elk begin van brand moet gemeld kunnen worden. Als het om een telefoontoestel gaat, wordt vermeld welk oproepnummer moet worden gevormd om de hulpdiensten te waarschuwen.

Artikel 7.6.3 Waarschuwing en alarm

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De waarschuwings- en alarmseinen of -berichten kunnen door alle betrokken personen opgevangen worden en mogen niet met elkaar, noch met andere seinen kunnen worden verward. 

Het waarschuwings- en alarmsysteem bestaat minstens uit drukknop(pen) met sirene(s), overal hoorbaar in het toeristisch logies en functioneert ook bij stroomuitval.

In de inrichtingen van categorie 3 veroorzaakt de inwerkingtreding van het alarm de achtereenvolgende terugkeer van de liftkooien van de niet-prioritaire liften naar het evacuatieniveau en de stopzetting van de liften op dat niveau.

Artikel 7.6.4 (en artikel 1.5) Automatische branddetectie

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De uitbating is uitgerust met een passende automatische branddetectie-installatie van het type algemene bewaking. Die automatische branddetectie-installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap.

Als het toeristische logies bestaat uit één verhuureenheid met maximaal 32 slaapplaatsen, mogen gekoppelde autonome rookdetectors de automatische branddetectie vervangen. Het toeristische logies beschikt dan over een autonoom gekoppelde rookdetector in iedere ruimte van het toeristische logies.

Vanaf 1 april 2022 dient het toeristische logies over een algemene automatische branddetectie te beschikken. 

(voor de overgangsfase link naar vraag 3 )

Wat zijn de minimale voorwaarden waaraan deze branddetectie moet voldoen ? 

De automatische branddetectie bestaat uit een aantal branddetectors en een centrale. De detectoren worden geplaatst in de kamers, de gemeenschappelijke ruimten voor de toeristen, de evacuatieruimten, de technische ruimten en lokalen, de administratieve lokalen, de lokalen die voor het publiek toegankelijk zijn, de keukens en de bergplaatsen die deel uitmaken van de voorziening. De detectoren worden aangepast aan het brandrisico. Nachtverblijven en evacuatiewegen moeten beveiligd worden met rookdetectors. 

De centrale is aangepast aan de detectors en minstens uitgerust met: 

  1. een optisch signaal dat de inbedrijfstelling van de installatie aanduidt; 
  2. een akoestisch waarschuwingssignaal; 
  3. een optisch waarschuwingssignaal dat toelaat de plaats waar de brand ontstaan is, te lokaliseren. Dat lokaliseren moet minstens mogelijk zijn per verdieping; 
  4. een akoestisch en optisch storingssignaal dat verschilt van het waarschuwingssignaal bij brand. 

De centrale wordt gevoed door het openbare elektriciteitsnet en wordt beveiligd met afzonderlijke zekeringen. In het geval dat het openbare elektriciteitsnet uitvalt, zorgt een secundaire stroombron automatisch voor de voeding van de installatie. 

De installatie voor algemene automatische branddetectie wordt jaarlijks gecontroleerd door een geaccrediteerde keuringsinstelling. 

De algemene automatische branddetectie kan eventueel gerealiseerd worden via de inbraakbeveiligingscentrale op voorwaarde dat het wel degelijk om branddetectoren (bij voorkeur rookdetectoren en in de keuken thermische branddetectoren) moet gaan en niet enkel om inbraakdetectoren. Het systeem moet voldoen aan INCERT. 

De keuze van het type en de positie van de branddetectoren gebeurt op basis van NBN S21-100 of NBN/DTD S21-100-1 met als bijzondere aandachtspunten: 

  • Plaats minstens 1 rookdetector in alle ruimtes/lokalen.
  • Rookdetectoren in de keuken of badkamer kunnen sneller leiden tot valse alarmen door het koken en stoom. De keuken blijft wel een risicoplaats voor brand. Je kan hier kiezen voor een thermische branddetector.
  • Voor de installatie van de branddetectoren doe je beroep op een gespecialiseerd bedrijf.

Dezelfde aandachtspunten gelden voor eventueel gebruik van draadloze centrale detectiesystemen.

Speel niet met vuur

Tekening komt uit http://www.speelnietmetvuur.be/nl/rookmelders/

Artikel 7.6.5 Brandbestrijdingsmiddelen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De brandbestrijdingsmiddelen bestaan uit toestellen of installaties die al dan niet automatisch zijn. De brandblussers en de muurhaspels dienen voor eerste interventie, dat wil zeggen dat ze bestemd zijn voor gebruik door het personeel en de logerende toeristen.

Het aantal en de plaats ervan, wordt bepaald door de aard en de omvang van het gevaar.

Hoofdstuk 8 Bekleding en wandversiering

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De vaste bekledingsmaterialen op het traject van de verhuureenheid tot de toegangsdeur van het toeristische logies zijn van die aard dat ze geen snelle brandvoortplanting en rookontwikkeling kunnen veroorzaken.

De vaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan: 

  1. voor plafondbekleding: klasse C-s1,d0 (NBN EN 13501-1) of A1 (NBN S 21-203);
  2. voor wandbekleding: klasse C-s1,d2 (NBN EN 13501-1) of A2 (NBN S 21-203).

Voor meer info http://www.brandweervlaanderen.be/Portals/BVV/Documenten/Wie%20zijn%20we/KAPB/KAPB%20Europese%20normering.pdf

Hoofdstuk 9 Onderhoud en controles

Artikel 9.1 Algemeen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De technische uitvoering van de inrichting wordt in goede staat gehouden. 

De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid die uitrusting door bevoegde personen periodiek controleren.

De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitgevoerd worden. De data van de controles, de vaststellingen die tijdens die controles zijn gedaan, en de instructies voor het personeel worden geregistreerd en ter beschikking gehouden.

De directie van het toeristische logies zorgt ervoor dat de keuringen, bezoeken en controles uitgevoerd worden en dat de resultaten ervan aantoonbaar zijn met een verslag of factuur. De betreffende documenten worden gebundeld in een veiligheidsregister. Dat veiligheidsregister moet permanent ter inzage liggen in het logies voor de bevoegde instanties.

Artikel 9.2 Periodieke controles

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De technische uitrusting en de veiligheidsuitrusting van de inrichting worden in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid die uitrusting door bevoegde personen periodiek onderhouden en controleren overeenkomstig de onderstaande tabel:

tabel bijlage 3_deel 1

tabel bijlage 3_deel 2

Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder:

  1. EO: erkend organisme;
  2. BP (bevoegde persoon): een persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft;
  3. GKI: geaccrediteerde keuringsinstelling;
  4. BT (bevoegde technicus): een persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles uit te voeren (bijvoorbeeld gasdichtheid: gehabiliteerde installateur; verwarming: erkende technicus enzovoort);
  5. EDTC: een externe dienst voor technische controle.

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of  https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

Waar kan ik voor de keuring van de laagspanningsinstallatie terecht?

Om de vijf jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er ook overeenkomstig het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties) een herkeuring nodig.

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Voor meer info kan je terecht bij het contactcenter van de FOD economie via 0800 120 33. Deze instellingen vind je terug op de website https://economie.fgov.be/nl/publicaties/elektrische-installaties-lijst

Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97

Waar kan ik voor de keuring van de hoogspanningsinstallatie terecht?

Om het jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er ook overeenkomstig het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties ) een herkeuring nodig. 

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Voor meer info kan je terecht bij het contactcenter van de FOD economie via tel 0800 120 33. Deze instellingen vind je terug op de website https://economie.fgov.be/nl/publicaties/elektrische-installaties-lijst

Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97

Indien er geen elektrische hoogspanningsinstallaties in het gebouw aanwezig zijn, is er geen keuringsverslag nodig. 

Waar kan ik voor de keuring van de algemene automatische branddetectie terecht?

De algemene installatie moet jaarlijks worden gekeurd door een geaccrediteerde keuringsinstelling (GKI). Daarnaast is ook een jaarlijks onderhoud noodzakelijk. 

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 

Waar kan ik voor de keuring van de alarminstallatie terecht?

De installatie moet jaarlijks worden gekeurd door een geaccrediteerde keuringsinstelling (GKI). Daarnaast is ook een jaarlijks onderhoud noodzakelijk. 

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 

Waar kan ik voor de keuring van de brandbestrijdingsmiddelen terecht?

Alle brandbestrijdingsmiddelen moeten jaarlijks gekeurd worden, zowel de snelblusapparaten als de axiale muurhaspels en hydranten. Zowel de ondergrondse als bovengrondse hydranten, gelegen op het terrein van de instelling vallen hieronder. 

De jaarlijkse keuring moet gebeuren door een bevoegd technicus (BT).

Waar kan ik voor de keuring van de verwarmingsinstallatie terecht?

Om de een of twee jaar (afhankelijk van de gebruikte brandstof) is er een nieuw schriftelijk bewijs van de onderhoudsbeurt nodig, afhankelijk van de installatie (brandstof, leeftijd toestel en vermogen). De vigerende wetgeving is van toepassing:

  • Voor een centrale verwarming op vaste of vloeibare brandstof is een jaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht. 
  • Voor een centrale verwarming op gasvormige brandstof is een tweejaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht

Het schriftelijk bewijs van de periodieke onderhoudsbeurt geldt als keuringsverslag. Voor meer informatie over de vigerende wetgeving kan je terecht bij de Vlaamse Overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie: 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

De elektrische waterkokers die men in de keuken gebruikt vallen niet onder de bedoelde ‘warmwatertoestellen’ die deel uitmaken van de verwarmingsinstallatie. 

Waar kan ik voor de keuring van de gasinstallatie terecht?

Om de vier jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er een herkeuring nodig. 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van gehabiliteerd installateurs (gasvormig brandstof) kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

Waar kan ik voor de keuring van de veiligheidsverlichting terecht?

De veiligheidsverlichting is de kunstmatige verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, moet toelaten dat personen een veilige plaats of de uitgangen van het gebouw te bereiken. Zij volstaat om hindernissen zichtbaar te stellen en bij brand de nodige acties uit te voeren. 

De veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar indien deze uitvalt moet de voeding gebeuren door een autonome stroombron (bijvoorbeeld een batterij). 

De exploitant van de inrichting zorgt ervoor dat deze verlichting om de drie maanden op haar goede werking wordt getest. Hij maakt hiervan een verslag op dat hij in het veiligheidsregister bij houdt. 

Een bevoegd technicus keurt de verlichting op de hoofdwegen maandelijks. 

Een bevoegd technicus controleert jaarlijks de veiligheidsverlichting in de gemeenschappelijke voorzieningen (als die aanwezig zijn).

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs (gasvormig brandstof) kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Waar kan ik voor de keuring van de evacuatiewegen en brandwerende deuren terecht?

De exploitant van het toeristische logies zorgt ervoor dat de staat van de evacuatiewegen en de brandwerende deuren om de drie maanden worden gecontroleerd. Hij of zij maakt hiervan een verslag op dat hij in het veiligheidsregister bijhoudt. 

De goede werking van de brandwerende deuren en het vrij houden van de evacuatiewegen moeten steeds gegarandeerd zijn. Dit geldt ook voor de toegangswegen voor de brandweer. 

Hoofdstuk 10 Uitbatingsvoorschriften

Artikel 10.1 Algemeen

Artikel 10.1.1

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Naast de maatregelen, vermeld in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant de nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen. 

De maatregelen die de exploitant in dat opzicht neemt, zullen in een huishoudelijk reglement vermeld worden. Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van het personeel op die bepalingen in het huishoudelijk reglement. Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen-verbaal van de periodieke controles moeten aangepaste verbeteringen zo snel mogelijk worden doorgevoerd.

Artikel 10.1.2 

uit bijlage 3 van het BVR Brandveiligheidsbesluit

De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van het toeristische logies, zijn verplicht om in iedere verhuureenheid minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen:

  1. instructies in geval van brand, minstens opgesteld in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels. De instructies vermelden ook het verbod om de eventuele liften te gebruiken in geval van brand. Je vindt een voorbeeld op de link http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten
  2. een vereenvoudigd samenvattend plan met aanduiding waar de verhuureenheid zich bevindt ten opzichte van de evacuatiewegen en -mogelijkheden en de brandvoorzieningen. Je vindt een voorbeeld op de link http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten
  3. het internationale noodnummer 112;
  4. de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf bereikbaar is in geval van nood. Je vindt een voorbeeld op de link http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten

Als het toeristische logies uit meer dan één verhuureenheid bestaat, brengen de exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van het toeristische logies, daarnaast de volgende informatie aan:

  1. bij de hoofdingang van het toeristische logies: vereenvoudigde samenvattende plannen van de volledige inrichting, die per verdieping minstens de volgende gegevens bevatten:
  • de bestemming van alle lokalen, inclusief de nummering van de verhuureenheden, alle evacuatiewegen en de evacuatiemogelijkheden van alle verhuureenheden;
  • alle brandvoorzieningen zoals, als ze aanwezig zijn, een brandweerkluis, een branddetectiecentrale, de bediening van de ventilatieopening van het trappenhuis, het bedieningsbord van het ventilatiesysteem en de brandbestrijdingsmiddelen;
  • alle lokalen met bijzonder risico, zoals, als ze aanwezig zijn, een stookplaats, een hoogspanningsinstallatie en de opslagplaatsen;
  • de locatie van alle afsluiters die het mogelijk maken het gebouw van alle energie- en watertoevoer af te sluiten;
  • op een duidelijk zichtbare plaats nabij de toegang tot elke verdieping: een vereenvoudigd samenvattend plan van de verdieping met vermelding van de situering van de locaties, vermeld in punt 1°.

Artikel 10.2 Veiligheidsvoorzieningen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De exploitant zorgt voor de goede werking van alle veiligheidsvoorzieningen, zoals de goede werking van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, de veiligheidsverlichting, de branddetectie, de bruikbaarheid van de evacuatiewegen, de trappen, de ladders en de brandbestrijdingsmiddelen.

Artikel 10.3 Kooktoestellen en maaltijdverwarmers

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Kooktoestellen en maaltijdverwarmers staan ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen. 

Er mogen geen verplaatsbare toestellen, gevoed met brandstoffen, in de inrichting geplaatst of gebruikt worden, tenzij in verplaatsbare toestellen met een brandstofhoeveelheden van maximaal drie kilogram of één liter ter bereiding van speciale gerechten in een keuken of restaurant. 

De reserverecipiënten of lege recipiënten worden in openlucht of in een daarvoor ingerichte ruimte opgeslagen. Die ruimte bevat geen andere brandbare stoffen en is voorzien van een verluchting boven- en onderaan.

Artikel 10.4 voorlichting van personeel en voor gasten over de brandpreventie

uit bijlage 3 van het BVR Brandveiligheidsbesluit

Artikel 10.4.1

uit bijlage 3 van het BVR Brandveiligheidsbesluit

De exploitant vestigt de aandacht van de personeelsleden op het gevaar bij brand in de inrichting. Ze worden onder meer op de hoogte gebracht van de ingezette middelen voor: 

  1. de detectie, de melding, de waarschuwing en het alarm; 
  2. de te nemen schikkingen om de veiligheid van personen te  verzekeren; 
  3. het bestaan van brandbestrijdingsmiddelen. 

De exploitant en sommige personeelsleden die speciaal zijn aangewezen wegens de permanente beschikbaarheid en de aard van hun functie, worden met de werking van de brandbestrijdingsmiddelen vertrouwd gemaakt en ontvangen onderricht over de gebruiksvoorwaarden.

Artikel 10.4.2

uit bijlage 3 van het BVR Brandveiligheidsbesluit

De exploitant organiseert jaarlijks praktische oefeningen die tot doel hebben de personeelsleden te onderrichten in hun gedrag bij brand.

De werkgever zorgt dat het personeel dat in het toeristisch logies werkzaam is, een vorming in verband met brandpreventie krijgt. 

Die vorming wordt aangeboden bij de indienstneming van het personeel. De uitbater voorziet jaarlijks voor alle personeelsleden een opfrissing van de vorming. 

De vorming in verband met preventie voor brand omvat minstens: 

  1. instructies bij brand 
  • melding 
    • noodnummer, telefoonnummers 
    • gebruik van alarmknoppen 
  • waarschuwing 
    • inlichting aan bepaalde personen van het bestaan van een brand of van een gevaar 
  • alarm 
    • verwittiging geven aan het geheel van personen die in een bepaalde plaats verblijven, om deze plaats te ontruimen 
  • de te treffen maatregelen om het optreden van de brandweerdienst te vergemakkelijken 

   2. eerste bluspoging enkel in geval van een beginnende brand 

    • gebruik van een brandblusser 
    • blussen brandende kledij 
    • veilig uitschakelen elektrische toestellen 
    • veilig afsluiten gastoevoer 
    • verstikken van frituurbrand 

   3. evacuatie 

    • begeleiding minder mobiele personen 
    • sluiten (brandwerende) deuren 

   4. veiligheidssignalisatie 

    • gebodstekens 
    • verbodstekens 
    • waarschuwingstekens 
    • brandbestrijdingstekens 
    • redding en evacuatietekens 

De exploitant informeert de toeristen en aanwezigen door instructies, voldoende in aantal en op plaatsen waar ze goed leesbaar zijn. Ze bevatten de bij brand te volgen gedragslijnen. Met behulp van de instructies moeten de aanwezige personen bij alarm het signaal kunnen identificeren en moeten ze kunnen kennisnemen van de te volgen gedragslijn en evacuatieweg.

Artikel 10.5 Gasinstallaties

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De onontbeerlijke voorzorgsmaatregelen zijn genomen om gaslekken te voorkomen. 

De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in de ruimtes waarvan de bodem aan alle kanten lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden. 

De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn, en de recipiënten waarvan verondersteld wordt dat ze leeg zijn, worden opgeslagen in de openlucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dat gebruik bestemd lokaal.

Artikel 10.6 Opslagplaatsen voor brandstoffen 

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

Iedere opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is ingericht buiten de lokalen die voor de gasten toegankelijk zijn.

Artikel 10.7 Andere maatregelen

uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit

De omgeving van de plaatsen waar zich toestellen bevinden voor melding, waarschuwing en alarm of waar apparaten voor brandbestrijding aangebracht zijn, blijft altijd vrij, zodat de toestellen in kwestie zonder vertraging gebruikt kunnen worden.

Vragen

Is er een attest nodig voor de brandwerendheid van de vloeren of de wanden?

Artikel 2.1 

Eerste lid uit bijlage 3 van het brandveiligheidsbesluit

Ieder toeristisch logies wordt van nevenliggende gebouwen of andere toeristische logiezen afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60. 

Eventuele verbindingen of doorgangen in die wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130.

Aan deze voorwaarden moet niet voldaan worden als het toeristische logies minstens vier meter verwijderd is van het nevenliggende gebouw of toeristische logies en er zich in die vrije ruimte geen brandbare elementen bevinden.

Als verschillende gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn de openingen voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130. 

Derde lid uit bijlage 3 van het brandveiligheidsbesluit

Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door:

  1. horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton;
  2. zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130.

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn.

Indien de muren van beton of metselwerk zijn is er geen attest nodig. 

Een vloer is een vloerplaat en vormt de horizontale wand. 

Dit betekent dat de vloerplaat over een brandwerendheid van minstens EI 60 moet beschikken. 

Voor de vloerafwerking (bijv. tapijt, laminaat, …) wordt er geen brandreactie gevraagd. 

Deze norm is enkel voor horizontale of verticale wanden dus is niet van toepassing op de daken.

Indien dit niet het geval is kan je een afwijking bij de Technische Commissie Brandveiligheid indienen.

Wat is het verschil tussen een ‘Toerisme voor Allen' verblijf en een hostel?

Het Toerisme voor Allen decreet van 18 april 2008 blijft bestaan voor sociale logies andere dan de hostels en volwassencentra!

Er is een afzonderlijke Technische Commissie Brandveiligheid voor Toerisme voor allen verblijven.

De Toerisme voor Allen verblijven worden in het “Toerisme voor Allen” decreet ingedeeld in de categorie A,B of C type en de hostels

Per type worden een aantal minimumvoorwaarden opgesomd. 

Daarin verschilt het uitrustingsniveau zoals aantal douches, bedden, daglokalen. 

Meer info http://www.jeugdverblijven.be/erkenningen-en-types

Bijvoorbeeld:

Een jeugdverblijfcentrum van het type A moet niet voorzien zijn van bedden

Een type B moet dan wel weer minimaal bedden hebben, maar bijvoorbeeld ook douches. 

Een type C is nog beter uitgerust. Zo moeten er onder andere voldoende daglokalen zijn en op de bedden ook dekens, kussens en beschermhoezen voorzien zijn. 

Een hostel heeft een aantal specifieke kenmerken en is bijvoorbeeld geschikt om individuele toeristen te ontvangen.

Dient de toegangsdeur van een vakantie – appartement in een appartementsblok over een brandwerendheid EI 1 30 te beschikken en zelfsluitend of bij brand zelfsluitend te zijn?

Artikel 2.1 uit bijlage 3 van het Brandveiligheidsbesluit 

Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door: 

  1. horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton
  2. zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130. 

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn. 

Figuur uit het ontwerpen van een brandveilig gebouw - PHLdA - PVL AFL. 9 / DEC 00 - O die keure 4.91p1.6.

• = vakantie appartement            

Het voorbeeld geeft twee vakantie appartementen weer op eenzelfde gemeenschappelijke gang. 

De gang is gemeenschappelijk wat betekent dat de gang niet behoort tot het individuele  vakantie appartement zelf. De gemeenschappelijke gang maakt geen deel uit van de verhuureenheid. 

De gemeenschappelijke gang is niet functioneel gerelateerd. Bijgevolg dient het vakantie appartement te worden afgescheiden door een toegangsdeur die beschikt over een brandweerstand EI130. 

Indien de deur tevens de toegangsdeur van het vakantie appartement is hoeft deze toegangsdeur niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend te zijn. Is de deur niet de toegangsdeur dan moet deze brandwerende deur ook zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn.

Het verschil met een alleenstaande vakantiewoning bestaat erin dat hier de toegangsdeur rechtstreeks naar buiten geeft. De gasten kunnen zich onmiddellijk van de woning verwijderen op een veilige afstand. In dit geval is er dan ook geen toegangsdeur dat beschikt over brandwerendheid nodig. 

Welk brandattest moet de exploitant kunnen voorleggen wanneer het toeristisch logies dat bestaat uit 3 vakantiewoning telkens voor 8 personen zowel wordt gepromoot als 3 afzonderlijke vakantiewoningen voor 8 personen (bijlage 2) als het geheel als 1 vakantiewoning voor 24 personen (bijlage 3)?

Bij het aanbieden van een (individuele) vakantiewoning voor maximaal 8 personen: bijlage 2

Bij het aanbieden van een (gehele) vakantiewoning voor 24 personen: bijlage 3 

Bij het aanbieden door elkaar van zowel individuele vakantiewoningen als de gehele vakantiewoning: beide bijlagen met name driemaal bijlage 2 en eenmaal bijlage 3.

De reden voor twee bijlagen betreft de compartimentering uit de norm 3.1 dat bepaalt dat ieder toeristisch logies (individuele vakantiewoning ) van andere toeristische logiezen ( de andere individuele vakantiewoningen) wordt afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60.