Bijlage 4 Specifieke brandveiligheidsnormen voor toeristische logiezen

(versie van 26 06 2019)

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Doel

Artikel 1.2 Terminologie

Artikel 1.3 Controle van de niet -  verplaatsbare verblijven 

Hoofdstuk 2 Inplanting en toegangswegen

Artikel 2.1 Inplanting

Artikel 2.2 Toegangswegen

Hoofdstuk 3 Uitrusting

Artikel 3.1 Gasinstallaties op het terrein

Artikel 3.2 Gasflessen op de plaatsen

Artikel 3.3 Elektrische installaties op het terrein

Hoofdstuk 4 Brandblusmiddelen en watervoorraad

Artikel 4.1 Blusposten

Artikel 4.2 Bluswatervoorraad

Hoofdstuk 5 Uitbatingsvoorschriften, onderhoud en controle

Artikel 5.1 Algemeen

Artikel 5.2 Informatiebord

Artikel 5.3 Onderhoudsplicht

Hoofdstuk 6 Tabel periodiciteit van de controles op de technische uitrusting en de veiligheidsuitrusting       

Vragen

Wat is een terreingerelateerd logies?

Is een chalet kamergerelateerd of een terreingerelateerd logies?

Aan wat moet een logies type terreingerelateerde tipi voldoen?


 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1 Doel

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel:

  1. het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2. de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3. het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.

Artikel 1.2 Terminologie

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, is van toepassing.

Artikel 1.3 Controle van de niet-verplaatsbare verblijven

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De controle van de niet-verplaatsbare verblijven op het terrein die door het centrale beheer worden aangeboden op de toeristische markt, wordt uitgevoerd door de bevoegde brandweerdienst en wordt opgenomen in het globale brandattest conform deze bijlage 4.

 

A. Niet - verplaatsbaarheid

Bron: in artikel 1.7° van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2006 houdende het toeristisch logies (=exploitatiebesluit)  van 17 maart 2017 wordt de definitie van een niet - verplaatsbaar verblijf als volgt bepaald:

Een niet - verplaatsbaar verblijf: een chalet, een bungalow, een vakantiehuisje, een trekkershut, een paviljoen of elk ander vergelijkbaar verblijf op een terreingerelateerd logies dat beschikt over een stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig uittreksel waaruit blijkt dat het verblijf is vergund of geacht vergund te zijn.

Stacaravans, L - vormige stacaravans, toercaravans, enz...worden in principe als verplaatsbare verblijven beschouwd.

B. Controle van niet - verplaatsbare verblijven op een terrein

B.1  Niet - verplaatsbare verblijven op een terrein

 los van het centrale beheer 

Alle verhuureenheden en verblijven op het terrein die los van het centrale beheer van het logies worden verhuurd, dienen te voldoen aan de brandveiligheidsnormen van bijlage 2 (tot 12 gasten) of bijlage 3 (vanaf 13 gasten).

Deze verblijven moeten beschikken over een eigen brandveiligheidsattest

Deze verblijven worden namelijk op zich beschouwd als een toeristisch logies en moeten afzonderlijk worden aangemeld (door de eigenaar van het verblijf).

Referentie artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2006 houdende het toeristisch logies (=exploitatiebesluit) van 17 maart 2017 :

Als in of op een toeristisch logies in centraal beheer een verhuureenheid of een plaats of een verblijf op een terreingerelateerd logies los van het centrale beheer wordt geëxploiteerd, dan moet deze verhuureenheid, deze plaats of dit verblijf op zich voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 5 februari 2016 en wordt deze verhuureenheid, deze plaats of dit verblijf op zich beschouwd als een toeristisch logies. Deze verhuureenheid, deze plaats of dit verblijf maakt dan het voorwerp uit van een afzonderlijke aanmelding als vermeld in artikel 5  van het decreet van 5 februari 2016.

B.2 Niet - verplaatsbare verblijven op een terrein

in centraal beheer

Deze verblijven moeten voldoen aan de brandveiligheidsnormen van bijlage 2 (tot 12 gasten) of bijlage 3 (vanaf 13 gasten).

DEZE CONTROLE DIENT ECHTER MEEGENOMEN TE WORDEN IN HET BRANDATTEST VOOR HET TERREIN CONFORM BIJLAGE 4 !!!

Referentie:

  • bijlage 4 van het brandbesluit van 17 maart 2017: artikel 1.3
  • bijlage 6 van het hogergenoemde exploitatiebesluit van 17 maart 2017 : artikel B, 13

Opgelet: Verplaatsbare verblijven in centraal beheer = enkel controle op de brandnormen volgens de brandveiligheidsnormen van bijlage 4 voor terreingebonden logies.

Hoofdstuk 2. Inplanting en toegangswegen

Artikel 2.1 Inplanting 

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Artikel 2.1.1 

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De afstand van de verblijven op het terrein tot een scheidingsgrens bedraagt minstens vier meter. 

Die tussenruimten worden op elk moment vrijgehouden van vaste constructies en ontdaan van verdroogd hoogstaand gras en verdroogde struikgewassen. 

De afstand van vier meter wordt vervangen door twee meter per terrein als er twee terreinen naast elkaar liggen.

Als deze afstanden of het aantal toegangswegen, vermeld in punt 2.2  niet in acht kunnen worden genomen, wordt de afstand van de verblijven op het terrein tot de scheidingsgrens en het aantal toegangswegen tot het terrein bepaald door de bevoegde brandweerdienst. 

Er kan ook een gemotiveerde aanvraag tot afwijking worden ingediend bij  de Technische Commissie Brandveiligheid. 

Het aanvraagformulier tot afwijking op de brandnorm vind je op http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/brandveiligheid#brandveiligheidnieuwelogiesdecreet

Artikel 2.1.2 

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Iedere verblijfplaats, toeristische kampeerplaats, seizoensplaats en camperplaats wordt uniek en goed zichtbaar aangeduid met een nummer, een naam, een letter of een symbool. 

De verblijven op die plaatsen mogen per groep van ten hoogste vier bij elkaar staan op het terrein. Tussen die verblijven of groepen van verblijven op het terrein wordt een afstand van minstens vier meter, op de grond gemeten, vrijgelaten.

Worden bomen als brandbaar materiaal beschouwd?

Binnen vrije zones mogen hoogstammige bomen en wintergroene hagen voorkomen. Hoogstaand gras en struikgewas zijn niet toegelaten.

Artikel 2.2 Toegangswegen

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Artikel 2.2.1

Het terrein is bereikbaar via minstens één toegangsweg die beantwoordt aan de voorschriften vermeld in punt 2.2.2.

Een terrein dat in een bebost gedeelte ligt, is minstens via één toegangsweg en één evacuatieweg of noodtoegangsweg bereikbaar. 

Artikel 2.2.2

Het terrein is zo aangelegd dat alle verblijven en parkeerplaatsen tot op maximaal zestig meter van een berijdbare binnenweg voor de hulpdiensten bereikbaar zijn. De binnenwegen beantwoorden aan de volgende voorwaarden:

  1. ze hebben een minimale breedte van drie meter;
  2. de binnenwegen zijn berijdbaar in alle weersomstandigheden;
  3. de vrije hoogte bedraagt minstens 3,5 meter;
  4. de wegen bezitten een draagvermogen zodat voertuigen van minstens 15 ton er kunnen rijden en stilstaan zonder te verzinken, zelfs als ze het terrein vervormen. 

De wegen voor de hulpdiensten die na 1 januari 2010 zijn aangelegd, zijn minstens vier meter breed en hoog. De verharde breedte van die wegen bedraagt minstens vier meter.

De hoofdwegen zijn voorzien van een degelijke verlichting.

Voertuigen en aanhangwagens worden ofwel op een daarvoor aangelegd parkeerterrein, ofwel op de plaatsen van de verblijven zelf geparkeerd. Ze mogen in geen geval op toegangswegen en binnenwegen van het terrein worden geparkeerd.

Artikel 2.2.3

Er kunnen uitzonderingen op bovenstaande normen , vermeld in punt 2.2.1 en 2.2.2 worden toegestaan na een akkoord van de bevoegde brandweerdienst. Voor de aanleg van de wegen moet de bevoegde brandweerdienst zijn goedkeuring geven. Eventueel kunnen extra voorwaarden worden gesteld.

Artikel 2.3 De gemeenschappelijke voorzieningen op het terrein beantwoorden aan de algemeen geldende reglementeringen.

Hoofdstuk 3 Uitrusting

Artikel 3.1 Gasinstallaties op het terrein

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De gemeenschappelijke opslag en installaties van gas in flessen of tanks beantwoorden aan de wettelijke voorschriften. De exploitant draagt er zorg voor dat de vermelde gasinstallaties alleen in gebruik worden genomen nadat aan alle wettelijke voorschriften is voldaan. Vervolgens laat de exploitant de gemeenschappelijke installaties en opslag controleren, zoals wettelijk is voorgeschreven.

Artikel 3.2 Gasflessen op de plaatsen

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Op de verblijfplaatsen, toeristische kampeerplaatsen, seizoensplaatsen en camperplaatsen mogen er maximaal vier gasflessen per plaats voorkomen. Daaronder vallen zowel de gebruikte flessen, de reserveflessen als de lege flessen. De gezamenlijke waterinhoud van de gasflessen op die plaatsen, zowel leeg als gevuld met gas, is beperkt tot 200 liter per plaats.

Artikel 3.3 Elektrische installaties op het terrein

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De gemeenschappelijke elektrische installaties op het terrein beantwoorden aan de wettelijke voorschriften.

Hoofdstuk 4. Brandblusmiddelen en watervoorraad

Artikel 4.1 en 4.2 

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Artikel 4.1

De exploitant installeert op het terrein de volgende brandblusposten die bij brand ter beschikking staan van de toeristen op het terrein:

Er is minstens één bluspost per groep of per groepsgedeelte van honderd verblijfplaatsen, toeristische kampeerplaatsen, seizoensplaatsen of camperplaatsen. De blusposten worden verspreid op het terrein opgesteld.

De blusposten zijn minstens uitgerust met een brandweerpost in polyester, of in metselwerk of in staal, beschermd tegen corrosie.  Een bluspost in metselwerk dient over stalen deuren te beschikken.  Ze bevatten minstens twee vorstbestendige schuim- of poederbrandblussers met een capaciteit van 9 liter, respectievelijk 9 kg, of bij voorkeur drie vorstbestendige schuim- of poederbrandblussers met een capaciteit van 6 liter, respectievelijk 6 kg. De brandblussers beantwoorden aan de geldende normen.

Op het terrein is aan één van de volgende voorwaarden voldaan:

  1. alle blusposten bevatten een mobiel vorstbestendig schuim- of poederbrandblustoestel met een capaciteit van 50 liter, respectievelijk 50 kg, dat beantwoordt aan de geldende normen;
  2. er worden ondergrondse hydranten aangebracht die beantwoorden aan de geldende normen en die gevoed worden door een waterverdelingsnet waarvan de leidingen een diameter hebben van minstens 50 mm, onder een druk van minstens 3 à 4 bar. Het aantal ondergrondse hydranten wordt bepaald naar rato van één hydrant per bluspost. 

De onmiddellijke omgeving van de plaatsen waar blusposten zijn geïnstalleerd, zijn altijd vrij, zodat de apparaten zonder probleem en tijdverlies gebruikt kunnen worden.

De brandweerposten zijn voorzien van pictogrammen of van de vermelding 'Brandweermateriaal' in rode letters van minstens 8 cm hoogte op een witte achtergrond. Daarnaast worden borden met pictogrammen of met de vermelding 'Brandweerpost' in rode letters van minstens 8 cm hoogte op een witte achtergrond op verschillende plaatsen op het terrein aangebracht, om de kortste weg naar die brandweerposten te wijzen.

Waar hangen de pictogrammen?

conform het koninklijk besluit van 17 juni 1997 over de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden de volgende plaatsen duidelijk aangeven: 

a) de uitgangen, de nooduitgangen en de richting van de vluchtwegen en de trappen die ernaartoe leiden; 

b) de plaatsen waar roken verboden is; 

c) de plaats van de brandbestrijdingsmiddelen; 

d) de plaatsen van de waarschuwings- en alarmposten

De exploitant draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks worden gecontroleerd en onderhouden worden door een technicus die daarvoor bevoegd is.

Artikel 4.2

Als het terrein niet uitgerust is met conforme hydranten , is er een bluswatervoorraad voorhanden. Die voorraad bedraagt minstens 50 m³ en mag niet verder dan tweehonderd meter van ieder verblijf liggen. Het bluswater mag ook uit een kanaal, een vijver of al dan niet gemeenschappelijke ondergrondse of bovengrondse citernes gehaald worden, op voorwaarde dat de watervoorraad altijd bereikbaar en bruikbaar is voor de brandweer. De brandweer kan vragen de bluswatervoorraad ter plaatse aan te duiden met signalisatie. Als de bluswatervoorraad ook voor andere doeleinden aangewend wordt, wordt die automatisch aangevuld, zodat de voorgeschreven bluswatervoorraad altijd beschikbaar blijft.

De bluswatervoorraad is niet vereist voor verblijven die op tweehonderd meter van een hydrant liggen, die al of niet tot het terrein behoort.

Voor de bluswaterbevoorrading kan de bevoegde brandweerdienst uitzonderingen toestaan. 

Er kan ook een gemotiveerde aanvraag tot afwijking worden ingediend bij  de Technische Commissie Brandveiligheid.

Het aanvraagformulier tot afwijking op de brandnorm vind je op http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/brandveiligheid#brandveiligheidnieuwelogiesdecreet

Hoofdstuk 5 Uitbatingsvoorschriften, onderhoud en controle

Artikel 5.1 

uit bijlage 4 van het brandbesluit

Naast de maatregelen voor de specifieke brandveiligheidsnormen neemt de exploitant de nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.

De uitbater licht zijn gasten in over de maatregelen die van toepassing zijn inzake de preventie van brand en over de veiligheidsmaatregelen bij een gebeurlijke brand.

De maatregelen die in dat opzicht door de exploitant worden genomen, worden in een huishoudelijk reglement opgenomen. Het huishoudelijk reglement bepaalt ook dat de technische uitrustingen van de niet-gemeenschappelijke installaties aan de normen van goed vakmanschap moeten voldoen.

Deze alinea moet garanderen dat de uitbater zijn gasten via het huishoudelijk reglement wijst op hun verantwoordelijkheid inzake de technische uitrusting van hun privatieve individuele verblijven.

Dit kan als volgt worden uitgevoerd:

  • Een reeks bepalingen in het huishoudelijk reglement: een aantal van de op te nemen bepalingen zijn verplicht zoals bepaald in artikel 5.2,4°
  • De uitbater moet ook bijkomend voorzien in een verklarende brandnota aan de gasten: zie artikel 5.2, tweede alinea
  • De opvolging van de verplichtingen vastgelegd in Hoofdstuk 6.

Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van de gasten en het personeel op de bepalingen in het huishoudelijk reglement.

  • De uitbater kan aantonen dat hij zijn gasten periodiek en minstens jaarlijks inlicht over de veiligheidsmaatregelen inzake brand die opgenomen zijn in het huishoudelijk reglement. Dit kan via brief, digitaal bericht, affichage,...
  • De uitbater staat in voor deze bewijslast naar de brandweerdiensten.

Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen - verbaal van de periodieke controles worden aangepaste verbeteringen zo snel mogelijk doorgevoerd. Het verhelpen van een vastgestelde inbruek wordt gestaafd via een extra controle door een erkend organisme.

De uitbater moet de tekortkomingen - die vastgesteld worden door de periodieke controles bedoeld in Hoofdstuk 6 (zie tabel) - opvolgen of laten opvolgen en via controle staven zoals aangegeven in de tabel.

Artikel 5.2 

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van het toeristische logies, zijn verplicht om op een informatiebord nabij de hoofdingang van het terrein de volgende gegevens ter beschikking te stellen:

  1. het internationale noodnummer 112;
  2. de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf bereikbaar is in geval van nood;
  3. een plattegrond van het terrein dat, in voorkomend geval, minstens de volgende gegevens bevat: 
  • de situering en de nummering van de plaatsen op het terrein; 
  • de receptie en de dienstgebouwen; 
  • de afvalverzamelplaats;
  • de plaats waar de brandvoorzieningen zijn opgesteld;
  • het wegennet;
  • de parkeerplaatsen;
  • de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen en installaties; 
  • de gemeenschappelijke ruimten;

4. een huishoudelijk reglement dat minstens de volgende voorschriften en informatie bevat:

    • het verbod om voertuigen op de toegangswegen, de hoofdwegen en de secundaire wegen te parkeren;
    • de maatregelen, vermeld in punt 5.1, die de exploitant neemt om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.

De exploitant afficheert een verklarende nota op het terrein of geeft een verklarende nota aan het personeel en de gasten. Die verklarende nota is minstens opgesteld in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Er wordt in vermeld hoe het personeel en de gasten moeten handelen in geval van brand. In die nota staan de aanbevelingen die nuttig zijn voor de brandpreventie.

Je vindt een aantal modeldocumenten op de link http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten 

Artikel 5.3

uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

Het materiaal waarvan sprake is in de specifieke brandveiligheidsnormen, wordt op elk moment perfect onderhouden en wordt door bevoegd personeel regelmatig gecontroleerd. De exploitant moet bij een eventuele controle op elk moment de nodige documenten kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de inspecties en de nodige controles hebben plaatsgevonden. Op die documenten worden de data van de controles, de vastgestelde opmerkingen en het onderhoud vermeld.

Deze alinea verwijst naar de tabel in Hoofdstuk 6.

De tweede alinea : “De exploitant doet jaarlijks een steekproef of de logerende toeristen de verplichting – vermeld in artikel 5.2,4°, c - respecteren. De exploitant moet bij een eventuele controle op elk moment de resultaten van deze steekproef kunnen voorleggen samen met de acties die hij heeft ondernomen tegen de vastgestelde tekortkomingen op deze verplichting.” is niet van toepassing !!

De wetgever heeft immers artikel 5.2,4° c) geschrapt maar vergat de verwijzing ernaar ook te schrappen in artikel 5.3.  Bij een volgende update van het brandveiligheidsbesluit zal het artikel 5.3 overeenkomstig worden aangepast.

Noot: De veiligheidsverplichtingen van de individueel logerende toeristen dienen te worden bepaald door het huishoudelijk reglement zoals wordt uitgelegd in artikel 5.1. De huidige brandwetgeving in bijlage 4 voorziet niet dat de brandweerdienst inspecties / steekproeven uitvoert op de technische conformiteit van de niet - gemeenschappelijke installaties (bedoeld zijn de individuele - private - verblijven op het terrein die niet in centraal beheer zijn en ook niet los van het centrale beheer aangeboden worden aan de markt zoals bedoeld in de artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2006 houdende het toeristisch logies (=exploitatiebesluit) van 17 maart 2017 ).

De exploitant en sommige leden van zijn personeel die speciaal aangewezen zijn door de aard van hun functie of door het feit dat ze voortdurend op het terrein aanwezig zijn, worden vertrouwd gemaakt met de werking van de blusapparatuur en krijgen een opleiding over het gebruik ervan.

De brandweer kan de exploitant vragen naar bewijslast rond de opleiding inzake het gebruik van de blusapparatuur. 

Hoofdstuk 6 Samenvattende tabel van de periodiciteit van de controles op de technische uitrusting en de veiligheidsuitrusting

Artikel 6 uit bijlage 4 van het Brandveiligheidsbesluit

De technische uitrusting en de veiligheidsuitrusting van de inrichting worden in goede staat gehouden. De exploitant laat die uitrusting op zijn verantwoordelijkheid periodiek onderhouden en controleren door bevoegde personen overeenkomstig de onderstaande tabel:

Tabel Bijlage 4

Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder:

  1. EO: erkend organisme;
  2. BP (bevoegde persoon): een persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft;
  3. BT (bevoegde technicus): een persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles uit te voeren (bijvoorbeeld gasdichtheid: gehabiliteerde installateur; verwarming: erkende technicus enzovoort);
  4. GKI: geaccrediteerde keuringsinstelling.

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via: 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

Waar kan ik voor de keuring van de hoogspanningsinstallatie terecht?

Om het jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er ook overeenkomstig het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties ) een herkeuring nodig. 

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Voor meer info kan je terecht bij het contactcenter van de FOD economie via tel 0800 120 33. Deze instellingen vind je terug op de website https://economie.fgov.be/nl/publicaties/elektrische-installaties-lijst

Voor meer informatie kan u ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Indien er geen elektrische hoogspanningsinstallaties in het gebouw aanwezig zijn, is er geen keuringsverslag nodig. 

Waar kan ik voor de keuring van de laagspanningsinstallatie terecht?

Om de vijf jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er ook overeenkomstig het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties) een herkeuring nodig.

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Voor meer info kan je terecht bij het contactcenter van de FOD economie via 0800 120 33. Deze instellingen vind je terug op de website https://economie.fgov.be/nl/publicaties/elektrische-installaties-lijst

Voor meer informatie kan u ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Waar kan ik voor de keuring van de veiligheidsverlichting terecht?

De veiligheidsverlichting is de kunstmatige verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, moet toelaten dat personen een veilige plaats of de uitgangen van het gebouw te bereiken. Zij volstaat om hindernissen zichtbaar te stellen en bij brand de nodige acties uit te voeren. 

De veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar indien deze uitvalt moet de voeding gebeuren door een autonome stroombron (bijvoorbeeld een batterij). 

De exploitant van de inrichting zorgt ervoor dat deze verlichting om continu tijdens de uitbating op haar goede werking wordt getest. Hij maakt hiervan een verslag op dat hij in het veiligheidsregister bij houdt.

Een bevoegd technicus keurt de verlichting op de hoofdwegen maandelijks. 

Een bevoegd technicus controleert jaarlijks de veiligheidsverlichting in de gemeenschappelijke voorzieningen (als die aanwezig zijn)  

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs ( gasvormig brandstof) kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Waar kan ik voor de keuring van de verwarmingsinstallatie terecht?

Om de een of twee jaar (afhankelijk van de gebruikte brandstof) is er een nieuw schriftelijk bewijs van de onderhoudsbeurt nodig, afhankelijk van de installatie (brandstof, leeftijd toestel en vermogen). De vigerende wetgeving is van toepassing: 

  • Voor een centrale verwarming op vaste of vloeibare brandstof is een jaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht. 
  • Voor een centrale verwarming op gasvormige brandstof is een tweejaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht. 

Het schriftelijk bewijs van de periodieke onderhoudsbeurt geldt als keuringsverslag. Voor meer informatie over de vigerende wetgeving kan je terecht bij de Vlaamse Overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie: 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of  https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via: 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

De elektrische waterkokers die men in de keuken gebruikt vallen niet onder de bedoelde ‘warmwatertoestellen’ die deel uitmaken van de verwarmingsinstallatie. 

Waar kan ik voor de keuring van de gasinstallatie terecht?

Om de vier jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er een herkeuring nodig. 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/ of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van  gehabiliteerd installateurs (gasvormig brandstof) kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 of https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via: 02 383 02 00, of http://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

Waar kan ik voor de keuring van de algemene automatische branddetectie terecht?

De algemene installatie moet jaarlijks worden gekeurd door een geaccrediteerde keuringsinstelling (GKI). Daarnaast is ook een jaarlijks onderhoud noodzakelijk. 

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie kan u ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97 

Waar kan ik voor de keuring van de alarminstallatie terecht?

De installatie moet jaarlijks worden gekeurd door een geaccrediteerde keuringsinstelling (GKI). Daarnaast is ook een jaarlijks onderhoud noodzakelijk. 

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). 

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website https://www.lne.be/overzichtslijsten-erkende-personen

Voor meer informatie kan u ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen erkenningen.omgeving@vlaanderen.be via tel 02 553 79 97

Waar kan ik voor de keuring van de brandbestrijdingsmiddelen terecht?

Alle brandbestrijdingsmiddelen moeten jaarlijks gekeurd worden, zowel de snelblusapparaten als de axiale muurhaspels en hydranten. Zowel de ondergrondse als bovengrondse hydranten, gelegen op het terrein van de instelling vallen hieronder. 

De jaarlijkse keuring moet gebeuren door een bevoegd technicus (BT)

Vragen

Wat is een terreingerelateerd logies?

Artikel 1,3° van het Brandveiligheidsbesluit 

In het kader van het Brandbesluitveiligheid is bijlage 4 van toepassing op de verplaatsbare terreingerelateerde verblijven die in centraal beheer worden uitgebaat zoals:

  • Eén of meer toeristische kampeerplaatsen
  • Eén of meer verplaatsbare verblijven: een tent, een vouwwagen, een kampeerauto, een camper, een rijcaravan, een stacaravan of elk ander vergelijkbaar verblijf,…

De niet verplaatsbare verblijven die op een terrein in centraal beheer worden uitgebaat moeten voldoen aan bijlage 2 (tot 5 plaatsen voor 12 personen) of aan bijlage 3 (vanaf 6 plaatsen voor meer dan 12 personen) zoals:

  • Eén of  meer niet-verplaatsbaar verblijf: een chalet, een bungalow, een vakantiehuisje, een trekkershut, een paviljoen of elk ander vergelijkbaar verblijf,…

Is een chalet kamergerelateerd of een terreingerelateerd logies?

Artikel 1,2° en 3° van het Brandveiligheidsbesluit 

Een chalet kan zowel een kamergerelateerd of een terreingebonden logies zijn. De uitbater meldt zich aan als kamergerelateerd of als terreingebonden logies, al dan niet met de bijhorende vraag voor een erkenning en/of het gebruik van een beschermde benaming en/of comfortclassificatie.

Bij twijfel zal een logiesadviseur ter plekke de situatie komen inschatten en adviseren over de aanmelding en/of de erkenning als kamergerelateerd of terreingerelateerd logies.

Aan wat moet een logies type terreingerelateerde tipi voldoen?

Een logies zoals tipi’s zal brandtechnisch wordt als volgt behandeld:

  • 1: Als het gaat om een logies met vaste wanden: kamergerelateerd 
  • 2: Als het gaat om een logies met losse wanden (type tent): een terreingerelateerd logies                        

In de beslissing van een terreingerelateerde tipi zullen volgende voorwaarden worden opgenomen:

‘Gunstig om het ontbreken van een tweede evacuatieweg te aanvaarden op voorwaarde dat

  1. Het enkel om één tipi met maximaal vier personen gaat 
  2. Er in de zone gelegen in een straal van 4 meter gemeten omheen de tipi er zich geen brandbare elementen bevinden. Deze zone dient dus ten alle tijden te worden vrijgehouden van vaste constructies en ontdaan van verdroogd hoogstaand gras en verdroogde struikgewassen  
  3. Gemotoriseerde voertuigen en aanhangwagens buiten het terrein worden geparkeerd
  4. De tipi zich situeert op maximaal 60 meter van een voor de hulpvoertuigen berijdbare weg 
  5. De gemeenschappelijke voorzieningen in de tuin beantwoorden aan de algemeen geldende reglementeringen, zoals het ARAB en het AREI.  De daarin voorziene controles dienen te worden gerespecteerd; 
  6. In de nabijheid van de tipi er een centraal gelegen brandbluspost is voorzien. Deze brandbluspost is duidelijk zichtbaar en steeds bereikbaar.’

Indien het meer dan één tipi betreft, dan moet de afstand tussen de verblijven minstens vier meter zijn.