FAQ bij bijlage 2 - Kamergebonden logies tot en met 5 verhuureenheden én voor maximum 12 personen

De meestgestelde vragen bij Bijlage 2 rond het onderdeel Brandveiligheid in het nieuw logiesdecreet, kamergebonden logies tot en met 5 verhuureenheden én voor maximum 12 personen

Bijlage 2

Vragen:

1. Wat is een verhuureenheid in een kamergerelateerd logies?

2. Wat betekent ‘kamergerelateerd logies’?

3. Wat is een terreingerelateerd logies?

4. Is een chalet kamergerelateerd of een terreingerelateerd logies?

5. Hoeveel evacuatiemogelijkheden zijn er in het toeristische logies aanwezig?

6. Wat zijn aanvaardbare tweede evacuatiemogelijkheden voor het kleinschalig logies?

7. Hoe leg je de evacuatiewegen aan?

8. Wat betekent compartimenteren (inplanting)?

9. Zijn de brandnormen van toepassing op de gehele eengezinswoning waarin zich gasten- of hotelkamers bevinden?

10. Wat is functioneel gerelateerd?

11. Welke instantie is bevoegd voor de controle van de brandwerende afscheiding van de niet functioneel gerelateerde ruimten?

12. Kan in één gebouw verschillende vormen van een toeristisch logies worden ingericht?

13. Wat zijn de voorschriften voor de elektrische installatie?

14. Wat zijn de voorschriften voor de verwarmingstoestellen?

15. Wat zijn de voorschriften voor gas?

16. Wat zijn de voorschriften voor de branddetectie?

17. Hoe plaatst men de autonome branddetectie?

18. Wat zijn de voorschriften voor de brandbestrijdingsmiddelen?

19. Wat zijn de uitbatingsvoorschriften?

20. Wat zijn de termijnen van de keuringsattesten?

21. Waar kan ik voor de keuring van de laagspanningsinstallatie terecht?

23. Waar kan ik voor de keuring van de branddetectie terecht?

25. Waar kan ik voor de keuring van de brandbestrijdingsmiddelen terecht?

26. Waar kan ik voor de keuring van de verwarmingsinstallatie terecht?

27. Waar kan ik voor de keuring van de gasinstallatie terecht?

30. Wie voert de hercontrole uit nadat de Technische Commissie Brandveiligheid een afwijking op de brandnorm verleende?

31. Tot wie richt ik mij om een adviesinspectie te krijgen?

32. Aan welke bijlage moeten aparte gebouwen met elk twee onafhankelijke evacuatiewegen voldoen? 

33. Moeten de structurele elementen zoals dragende wanden over een brandwerendheid beschikken als het om een kleinschalig logies gaat?

34. Kunnen gekoppelde autonome detectoren gecombineerd worden met een automatisch branddetectiesysteem? 

35. Wat is de geldende norm voor de noodverlichting?

36. Wat is de invloed van de nieuwe bepaling in de basisnormen op de brandveilige deuren in een vakantiewoning?

37. Worden een kinderbedje en/of reisbedje als een slaapplaats beschouwd?

38. Wat is het verschil tussen een “ Toerisme voor Allen “- verblijf en een hostel?

39. Wat is een huishoudelijke keuken?

40. Aan wat moet een logies type Tipi voldoen?

41. Is er een attest nodig voor de brandwerendheid van de vloeren?

42. Wat is een logboek?

43. Brandwerendheid toegangsdeur vakantieappartement in een appartementsblok?

44. Welk brandattest bij het aanbieden van een vakantiewoning zowel als individuele als de vakantie-woning in zijn geheel?

 

___________________________________________________________________________________________________________________

Vragen en antwoorden

1. Wat is een verhuureenheid een kamergerelateerd logies?

Artikel 1,2° van het Brandveiligheidsbesluit

Artikel 1 van het Exploitatiebesluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017

Een verhuureenheid: een hotelkamer, een gastenkamer, een vakantiewoning of een afzonderlijk te huren kamer, ruimte of eenheid van een kamergerelateerd logies waar kan worden overnacht door een of meer toeristen

Een vakantiewoning kan enkel in zijn geheel worden verhuurd. Daardoor vormt het slechts één verhuureenheid!

In een uitbating van gastenkamers vormt elke kamer één verhuureenheid.

 

2. Wat betekent een ‘kamergerelateerd logies’?

Artikel 1,2° van het Brandveiligheidsbesluit 

Kamergerelateerd is gebonden aan de kamer. Daarmee bedoelt men een logies dat wordt ingericht in een gebouw.

Voorbeelden: hotel, B & B, vakantiewoning, vakantielogies, ..

 

3. Wat is een terreingerelateerd logies?

Artikel 1,3° van het Brandveiligheidsbesluit 

In het kader van het Brandbesluitveiligheid is bijlage 4 van toepassing op de verplaatsbare terreingerelateerde verblijven die in centraal beheer worden uitgebaat zoals:

  • Eén of meer toeristische kampeerplaatsen
  • Eén of meer verplaatsbare verblijven: een tent, een vouwwagen, een kampeerauto, een camper, een rijcaravan, een stacaravan of elk ander vergelijkbaar verblijf,…

De niet verplaatsbare verblijven die op een terrein in centraal beheer worden uitgebaat moeten voldoen aan bijlage 2 (tot 5 plaatsen voor 12 personen) of aan bijlage 3 (vanaf 6 plaatsen voor meer dan 12 personen) zoals:

  • Eén of meer niet-verplaatsbaar verblijf: een chalet, een bungalow, een vakantiehuisje, een trekkershut, een paviljoen of elk ander vergelijkbaar verblijf,…

 

4. Is een chalet kamergerelateerd of een terreingerelateerd logies?

Artikel 1,2° en 3° van het Brandveiligheidsbesluit 

Een chalet kan zowel een kamergerelateerd of een terreingebonden logies zijn. De uitbater meldt zich aan als kamergerelateerd of als terreingebonden logies, al dan niet met de bijhorende vraag voor een erkenning en/of het gebruik van een beschermde benaming en/of comfortclassificatie.

Bij twijfel zal een logiesadviseur ter plekke de situatie komen inschatten en adviseren over de aanmelding en/of de erkenning als kamergerelateerd of terreingerelateerd logies.

 

5. Hoeveel evacuatiemogelijkheden zijn er in het toeristische logies aanwezig?

Artikel 2.1 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Iedere verhuureenheid heeft minstens twee evacuatiemogelijkheden. 

Met evacuatieweg wordt de weg om te kunnen ontsnappen bedoeld.

De evacuatiemogelijkheden zelf zijn de contructies die het ontsnappen mogelijk maakt zoals raam, gang, trap, terras...

Opgelet:

de gehele vakantiewoning = één verhuureenheid = twee onafhankelijke vluchtwegen per woning (en dus niet noodzakelijk per kamer)

een gastenkamerexploitatie: twee onafhankelijke vluchtwegen per gastenkamer

6. Wat zijn aanvaardbare tweede evacuatiemogelijkheden voor het kleinschalig logies?

Artikel 2.1 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid voor kleinschalig kamergebonden logies met minder dan 6 verhuureenheden en met minder dan 13 slaapplaatsen, zijn: 

  1. een tweede binnentrap
  2. een buitentrap
  3. een al of niet uitklapbare buitenladder voor inrichtingen met maximaal drie bovengrondse bouwlagen.

    Uitschuifbare ladder wordt aanvaard op voorwaarde dat de ladder over alle verdiepingen is vastgemaakt. Het laagste niveau mag geleed zijn.

  4. een raam dat open kan, als de verhuureenheid zich op het evacuatieniveau of de eerstbovenliggende verdieping bevindt. Het raam moet een vlotte evacuatie toelaten
  5. een raam dat open kan of een terras, die bereikbaar zijn voor de draagbare brandweerladders, als de raamdorpel of de terrasvloer zich lager bevindt dan zeven meter boven de begane grond. Het raam laat een vlotte evacuatie toe
  6. een raam dat open kan of een terras, die bereikbaar zijn voor de hoogtewerker van de brandweer. Het raam laat een vlotte evacuatie toe.

Een raam dat een vlotte evacuatie toelaat bevat minstens een vrije doorgang van 60 cm x 80 cm. De positie van de scharnieren mogen de evacuatie niet hinderen.

Opgelet: deze maten worden gemeten binnen in het gebouw en zijn netto - maten gemeten in de raamopening.

Indien deze alternatieven aanwezig zijn voldoet het kleinschalig logies aan het brandbesluit. Er is dan geen afwijking nodig.

kantelraamkantelraam

Wanneer bij de tweede evacuatiemogelijkheid gebruik wordt gemaakt van een (dak) raam dan gelden onderstaande voorwaarden:

  • de bediening van het raam ligt binnen het handbereik van een volwassen persoon
  • wanneer het raam op zich bedoeld is om van hieruit gered te worden door de brandweer, dan moet de brandweer je kunnen zien vanop de omliggende terreinen, bereikbaar voor de brandweer. De gasten moeten zich kenbaar kunnen maken in de raamopening – het gebruik van een hulpstuk (aanwezig in de verhuureenheid stoel, bank,…) is hiervoor toegelaten
  • wanneer het raam bedoeld is als opstap naar een buiten gelegen evacuatieweg of -plaats (terras, balkon, ladder…) dan moet dit vlot en veilig kunnen gebeuren zonder valgevaar. Vaste constructies , handgrepen, leuningen, balustrades… kunnen hier dus nodig zijn.

 

Wat bij het hinderen van het oprichten van de hoogtewerker van de brandweer door fysische elementen zoals bovenleidingen van trams, (kerst) verlichting, paaltjes die de rijweg scheiden van het voetpad...?

  •  de brandweer kan niet altijd een algemeen antwoord geven. Indien het officieel aangesteld keuringsorgaan niet (goed) kan inschatten wat de hinder is voor het gebruik van de hoogtewerker als tweede onafhankelijke evacuatieweg dan dient de exploitant de bevoegde brandweer te contacteren om een schriftelijke bevestiging te verkrijgen dat dit gebruik van de hoogtewerker niet hindert.

7. Hoe leg je de evacuatiewegen aan?

Artikel 2.2 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden zonder versperringen. De evacuatiewegen zijn zo aangelegd en verdeeld dat ze altijd onafhankelijk van elkaar blijven. 

Een evacuatieweg blijft bruikbaar als een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze (elk onafhankelijk van elkaar) uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.

 

8. Wat betekent compartimenteren (inplanting)?

Artikel 3.1 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Ieder toeristisch logies wordt van nevenliggende gebouwen of andere toeristische logiezen afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60. Eventuele verbindingen of doorgangen in die wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130.

Het alternatief ‘uitgevoerd in metselwerk of beton is vooral nuttig voor ‘bestaande gebouwen’ en geldt voor wanden (in geval van metselwerk of beton) en vloeren,(in geval van beton). Het is de bedoeling om ook zo wanden toe te laten waarvan de brandweerstand EI 60 niet op basis van attestering kan aangetoond worden.

Een vloerplaat is een horizontale wand. Dit betekent dat de vloerplaat over een brandwerendheid van minstens EI 60 moet beschikken. Voor de vloerafwerking (bijv. tapijt, laminaat, …) wordt er geen brandreactie gevraagd. Deze norm is enkel voor horizontale of verticale wanden dus is niet van toepassing op de daken.

8.1. Wie geeft zijn akkoord betreffende de brandwerendheid voor wanden waarvan geen attest ter beschikking is?

Metselwerk of beton worden aanvaard zonder attestering. Het gebruik van andere materialen als wand (horizontaal of verticaal) moet dus geattesteerd worden op basis van vermelde EI-waardes.

Indien een deur een brandweerstand moet hebben, dan moet deze brandweerstand aan te tonen zijn. U kan dit aantonen via een RF-zegel aan de zijkant van de deur (heel zelden ook aan de bovenzijde terug te vinden) of een zwelstrip (meestal nog zichtbaar) aan de bovenzijde van het deurblad.

Indien een RF-zegel niet aanwezig of leesbaar (bijv. overschilderd) is, of de zwelstrip niet zichtbaar is, dient u de brandweerstand aan te tonen via een attest of een vergelijkbaar document (verklaring, plaatsing, factuur,...). Dit attest of vergelijkbaar document garandeert de compartimentering van het logies.

Een (gecertificeerde) schrijnwerker (of architect of studiebureau) kan dit attest of vergelijkbaar document afleveren.

Opgelet: een aankoopfactuur van een deur volstaat niet (altijd) ! Er moet kunnen aangetoond worden dat die " geleverde" RF- deur ook effectief geplaatst werd conform de regels.

Bij het ontbreken van een attest kan er eventueel een afwijking bij de technische commissie brandveiligheid worden aangevraagd.


Als het toerisisch logies minstens vier meter verwijderd is van het nevenliggende gebouw of toeristisch logies en er zich in die vrije ruimte geen brandbare elementen bevinden moet hieraan niet worden voldaan.

Als verschillende gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn de openingen voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130.


8.2. Moeten de deurkozijnen ook brandwerend zijn?


De compartimentering van de unit betekent dat de gehele deur brandwerend dient te zijn. Zowel de deurlijst als de deur moeten op elkaar afgestemd zijn. Indien de deur niet is afgestemd op de deurlijst bijvoorbeeld te grote spleten of als de deur nieuwer is dan de lijst dan wordt er een bijkomend attest voor het geheel - deur en lijst - opgevraagd.



 

9. Zijn de brandnormen van toepassing op de gehele eengezinswoning waarin zich gasten- of hotelkamers bevinden?

Het brandbesluit van het toeristische logies is enkel van toepassing op de functioneel gerelateerde ruimten.

Onder vraag 10 vind je meer uitleg.

 

10. Wat is functioneel gerelateerd? 

Artikel 3.2 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door: 

1° horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton

2° zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130. 

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn. 

De privé slaapkamer van de exploitanten wordt als functioneel gerelateerd beschouwd aan de uitbating van gastenkamers. 

Het wonen (en dus ook slapen) van de uitbater en zijn gezin is eigen aan de exploitatie van een gastenkamer. De private slaapkamers en nadere privé ruimtes in de woning worden bijgevolg als functioneel - gerelateerd beschouwd! 

Dit betekent dat er geen branddeuren aan de private slaapkamer(s) of andere privé ruimtes van de uitbater(s) (en zijn gezin) nodig zijn.

Als de uitbater de woning ook beroepshalve gebruikt dan wordt het professionele gedeelte wel met een branddeur afgescheiden. 

Voorbeelden: een advocatenkantoor in de woning, een restaurant , een cafetaria toegankelijk voor iedereen…


10.1 Wat bij schacht en verluchtingskokers in een vakantiewoning?

De openingen in schacht- en verluchtingskokers moeten van de nodige brandwerendheid worden voorzien en te worden dichtgemaakt met materialen die het geheel een brandwerendheid EI60 geven, of bestaan uit metselwerk of beton. Doorvoeringen voor de leidingen/ventilatie, of opengaande delen (zoals een toezichtsluik of verluchtingsrooster) worden enkel aanvaard indien deze de brandweerstand van dit geheel niet nadelig beïnvloeden.

 

11. Welke instantie is bevoegd voor de controle van de brandwerende afscheiding van de niet functioneel gerelateerde ruimten?

De brandwerendheid van de afscheiding van een niet functioneel gerelateerde ruimte uit bijlage 2 controleert het aangestelde keuringsorgaan terwijl dit voor bijlage 3 de taak is van de brandweer.

 U dient hier de nodige bewijsstukken te kunnen voorleggen.

Bij het ontbreken van een attest kan er eventueel een afwijking bij de brandcommissie worden aangevraagd.


12 A. Kan in één gebouw verschillende vormen van een toeristisch logies worden ingericht?

Artikel 3.3 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

In hetzelfde gebouw kunnen zich verschillende toeristische logiezen bevinden. 

Als zich in hetzelfde gebouw verschillende toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid bevinden, zijn die toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid brandwerend ten opzichte van elkaar gescheiden en beschikken ze elk over eigen onafhankelijke evacuatiewegen. 

Let op want het aantal verhuureenheden is hierbij belangrijk. Zoals gezegd vormt een vakantieappartement één verhuureenheid. Een gebouw met verschillende vakantie - appartementen betekent dat er slechts één soort toeristisch logies aanwezig is met name (verschillende) vakantie appartementen. Dit betekent dat bijvoorbeeld twee vakantie appartementen:

  • brandwerend ten opzichte van elkaar moeten worden gescheiden (norm 3.1)
  • brandwerend van niet functioneel gerelateerde ruimten moet worden gescheiden (norm 3.2)
  • mogen gebruik maken van dezelfde (twee) onafhankelijke evacuatiewegen van het gebouw

Verschil met twee kamers van de gastenkamerexploitatie (twee verhuureenheden):

  • de kamers niet brandwerend moeten worden gescheiden ten opzichte van elkaar
  • elke kamer moet beschikken over twee onafhankelijke evacuatiewegen
  • brandwerend van niet functioneel gerelateerde ruimten moet worden gescheiden (norm 3.2)

Een gemeenschappelijk badkamer of een gemeenschappelijke ruimte in een gastenkamerexploitatie wordt niet als tweede evacuatieweg van de slaapruimte van een gastenkamer zelf aanvaard.

12. B Wat betreft het alternatief 2.1, 1° : tweede binnentrap als tweede onafhankelijke evacuatieweg in een groot gebouw bijvoorbeeld een appartementsblok aan zee:


Voorbeeld: afzonderlijke vakantie – appartementen gelegen boven de negende verdieping, buiten bereik van de hoogtewerker van de brandweer. Het gebouw voldoet aan de federale basisnormen (bijlage 4/1). Er zijn twee onafhankelijke (afgesloten) trappenhuizen met een sas.

De vakantie – appartementen zijn ten opzichte van elkaar gecompartimenteerd:

Twee onafhankelijke binnentrappenhuizen conform de basisnormen kunnen als twee onafhankelijke evacuatiewegen (tweede binnentrap) worden aanvaard op voorwaarde dat:

  1. De binnenwanden van de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben een brandwerendheid EI 30. De trappenhuizen zijn toegankelijk via deuren met brandwerendheid EI130.
  2. De wanden van de evacuatieweg tussen de normale uitgang van de vakantiewoning en de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben een brandwerendheid EI 30.
  3. De twee evacuatiewegen moeten op het gelijkvloers ook onafhankelijk blijven. De twee trappenhuizen mogen bijgevolg op het gelijkvloers niet in dezelfde evacuatieweg uitkomen omdat zoniet de onafhankelijkheid in het gedrang komt.

Figuur uit het ontwerpen van een brandveilig gebouw - PHLdA - PVL AFL. 9 / DEC 00 - O die keure 4.91p1.6.

                                                          vierkant = traphal

Rode lijn = wanden die beschikken over de nodige brandweerstand       

                                          

13. Wat zijn de voorschriften voor de elektrische installatie?

Artikel 4.1 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

De conformiteit van de elektrische installatie met de geldende wetgeving wordt aangetoond met een geldig keuringsverslag, afgeleverd door een externe dienst voor technische controles.

 

14. Wat zijn de voorschriften voor de verwarmingstoestellen?

Artikel 4.2 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

De goede en veilige werking van de verwarmingsinstallatie op vloeibare, vaste of gasvormige brandstof, en van de schoorstenen en rookkanalen die daarvoor mogelijk gebruikt worden, wordt aangetoond met een attest, afgeleverd door een bevoegd technicus.

De afvoer van de rookgassen en de aanvoer van verse lucht voor toestellen met een open verbranding wordt om de twee jaar gecontroleerd.

Bij een toestel met een gesloten verbranding komt er verse lucht doorheen de schouw waardoor enkel een attest van goede werking van het toestel wordt opgevraagd.

Bij een gasvormige verbranding komt er geen roet vrij. De schoorsteen en rookkanalen worden niet gecontroleerd.

Individuele verwarmingstoestellen van het open verbrandingstype zijn verboden in de slaapruimte.


Welke attesten dienen voorgelegd te worden bij een verwarming op vaste of vloeibare brandstof?


- Toestel B (open) : attest toestel, attest van de rookgasafvoerkanalen (2J) en reinigingsattest afvoerkanalen

- Toestel C (gesloten): attest toestel, attest van de rookgasafvoerkanalen, geen reinigingsattest afvoerkanalen

- Houtkachel: attest toestel (reiniging) + reinigingsattest van de schoorsteen

- Pelletkachel: attest toestel + reinigingsattest van de schoorsteen

- Gaskachel: voor toestellen op gas moet er geen reinigingsattest voor de afvoerkanalen zijn. Dit is opgenomen in de tabel in artikel 6.2: Schoorstenen en rookkanalen dienen enkel jaarlijks onderhouden te worden voor toestellen op vaste of vloeibare brandstof.
Uiteraard moeten de afvoerkanalen wel conform zijn (valt onder het onderhoudsattest van het toestel).

- Sierhaarden: wordt hetzelfde gevraagd, tenzij ze volledig dicht gemaakt worden zodat ze niet meer bruikbaar zijn.

 

15. Wat zijn de voorschriften voor de gast?

Artikel 4.3 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

De veilige staat van de gasleidingen met de aansluitingen van de desbetreffende toestellen en de conformiteit met de geldende normen wordt aangetoond met een attest van een bevoegde technicus.

TabeI hoofdstuk 6: 

gasleidingen en aansluiting gastoestellen, vaste lpg-tanks  = dichtheidscontrole

BT

vierjaarlijks

In de praktijk betekent dit dat men de dichtheid van de gasleidingen en de -aansluitingen om de vier jaar meet. Het keuringsattest mag dus niet ouder zijn dan vier jaar.

De uitbater dient een attest te kunnen voorleggen dat de gasdichtheid werd gecontroleerd. Om de gasdichtheid te kunnen controleren dient er een tussenstuk te zijn op de gasinstallatie. Daar wordt het meettoestel op gekoppeld om de gasdichtheid te controleren.


16. Wat zijn de voorschriften voor de branddetectie?

Artikel 4.4 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

Op het traject tussen een ruimte met een slaapplaats en de toegangsdeur van het toeristische logies is iedere ruimte (de ruimte met de slaapplaats zelf inbegrepen) uitgerust met minstens één autonome branddetector. Als die ruimte bestaat uit verschillende bouwlagen, wordt er in minstens één detector per bouwlaag voorzien. De branddetectoren hebben een niet-vervangbare batterij met een levensduur van minstens vijf jaar en voldoen aan de norm EN 14604. De branddetectoren zijn geplaatst en worden onderhouden volgens de voorschriften van de fabrikant.

16.1 Indien het plafond van eenzelfde ruimte is opgesplitst door verlaagde gedeeltes (bijvoorbeeld een oude tussendeur die werd verwijderd) dient aan beide zijden van het verlaagde gedeelte een rookdetector te hangen.

16.2 Wat betekent een rookdetector met een niet-vervangbare batterij?

U heeft autonome rookdetectoren in de handel waarin u een batterij plaatst (meestal 9 v). Als deze batterij leeg is, kan u deze vervangen en de detector terugplaatsen.

Er bestaan echter ook rookdetectoren waarbij het niet mogelijk is om een nieuwe batterij te plaatsen. Deze rookdetectoren beschikken over een ingebouwde batterij. Als deze batterij leeg is, dient de detector - in zijn geheel - vervangen te worden. Deze detector is wegwerp. Enkel deze rookdetectoren met een niet-vervangbare batterij zijn toegelaten.

U vindt deze (wegwerp) rookdetectoren in o.a doe het zelf zaken.

16.3 Ik heb in mijn logies rookdetectoren hangen met een vervangbare batterij. Dien ik deze te vervangen?

Ja, enkel rookdetectoren met een niet-vervangbare batterij zijn toegelaten in het brandbesluit.

Rookdetectoren met vervangbare batterijen dienen te worden vervangen. In de praktijk is immers gebleken dat logerende gasten de batterijen verwijderen.

16.4 Dient er een rookdetector in de slaapkamer zelf te hangen of enkel in de hal?

Het brandbesluit vraagt een rookdetector in iedere ruimte waar men kan slapen op de vluchtroute. Dit betekent dat er in iedere slaapkamer een rookdetector moet hangen.

16.5 Het traject van de slaapkamer naar buiten toe loopt over meerdere verdiepingen. Hoeveel rookdetectoren moet ik voorzien?

Het brandbesluit vraagt op iedere bouwlaag een rookdetector, zelfs al is dit één en dezelfde ruimte. Indien uw slaapkamer op de tweede verdieping ligt en u via een trappenhal naar beneden gaat dan moet er een rookdetector hangen op de tweede, eerste en gelijkvloerse verdieping.

16.6 Wat is een bouwlaag?

De begane grond van een woning is de eerste bouwlaag, de eerste verdieping is een tweede bouwlaag, enz...Een kelder en een zolder van een woning zijn geen bouwlagen wanneer er geen woonfunctie is aan gekoppeld. Is de kelder of zolder bewoonbaar dan worden deze ook bouwlagen.

16.7 Draadloze branddetectie

Een draadloos centraal branddetectiesysteem is toegelaten.

 

17. Hoe plaatst men de autonome branddetectie?

Bron: www.speelnietmetvuur.be

  • Plaats minstens 1 rookmelder in de hal of het trappenhuis en op elke bewoonde verdieping van het huis.
  • Rookmelders in de keuken of badkamer kunnen sneller leiden tot valse alarmen door het koken en stoom. De keuken blijft wel een risicoplaats voor brand. Je kan hier kiezen voor een thermische brandmelder.
  • Alle andere kamers voorzie je best van een rookmelder. Ga eens na waar er mogelijk risico is op brand. Denk maar aan de berging met wasmachine en droogkast, de slaapkamer met televisie en elektronische apparaten, aan de elektriciteitsteller,…
  • Installeer de rookmelders aan het plafond op minstens 30 cm van de hoek. Op die manier kan de detector het snelst de rook oppikken.
  • Wanneer de rookmelder op de muur geplaatst wordt, doe het dan zo hoog mogelijk maar minstens 15 cm van het plafond verwijderd.
  • Plaats de rookmelder zodanig dat je er vlot bij kan voor onderhoud.
  • Zorg dat je de rookmelder ingeschakeld hebt nadat die geïnstalleerd is.

plaatsing rookmelder

wat bij rookdetectie

Tekening komt uit http://www.speelnietmetvuur.be/nl/rookmelders/

 

18. Wat zijn de voorschriften voor de brandbestrijdingsmiddelen?

Artikel 4.5 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Per toeristisch logies moet er per 150 m² minstens één schuim- of poederbrandblusser met een capaciteit van minstens 6 liter, respectievelijk 6 kg, voorhanden zijn. Deze brandblussers worden geplaatst in het toeristische logies of in de onmiddellijke nabijheid ervan. De brandblussers beantwoorden aan de geldende normen.

18.1 Je kan zowel een brandblusser type poederblusser als schuimblusser plaatsen. 

Een schuimblusser is ook toegelaten indien er aardgas aanwezig is in de woning.

Een schuimblusser of poederblusser kan door de toeristen gebruikt worden voor kleinschalige incidenten zoals bijvoorbeeld een vuilbak die vuur vat.

De toeristen hoeven een gasbrand niet onder controle te krijgen. Deze taak neemt de brandweer op zich. De brandweer zal het gas afsluiten en het nodige bluswerk doen. 

Een gasbrand mag enkel geblust worden op voorwaarde dat de toevoer kan worden afgesloten ongeacht wie er blust of waarmee men blust.

18.2 Moeten de brandblussers omhoog hangen?

Neen, het brandbesluit verplicht niet om de brandblussers omhoog te hangen. Dit wordt wel aangeraden om volgende redenen:

  • Het is belangrijk dat de brandblusser steeds aanwezig is op de locatie die op het evacuatieplan is aangegeven. Een brandblusser die hangt heeft een vaste locaties in het logies. De gasten zullen hem niet verplaatsen.
  • Een brandblusser die omhoog hangt is minder blootgesteld aan schokken en vuil.

 

18.3 Mag de brandblusser in de kast zitten?

Het is aan te raden de brandblusser op een duidelijke zichtbare plaats in een centrale ruimte in het logies - zoals bijvoorbeeld de hal - op te hangen.

Wanneer dit echter wegens plaatsgebrek niet mogelijk is, dan mag deze ook in een kast of achter de zetel worden opgeborgen. Het is wel noodzakelijk dat er een duidelijk pictogram op ooghoogte wordt voorzien. De locatie staat aangegeven op het evacuatieplan. De brandblusser kan vlot uit de kast worden genomen en zit bijvoorbeeld niet achter een stofzuiger.

18.4 Bij mijn appartement staat reeds een brandblusser in de gemeenschappelijke delen. Mag ik deze brandblusser gebruiken voor mijn logies?

Brandblussers in de gemeenschappelijke delen kunnen aanvaard worden op één voorwaarde:

Er zijn evenveel brandblussers als er toegangsdeuren zijn tot de appartementen op dezelfde verdieping ! 

Dus als er maar één appartement per verdieping is, mag de "gemeenschappelijke" brandblusser van deze verdieping aangewend worden als brandblusser nodig in het kader van het brandbesluit.

Als er twee appartementen op deze verdieping zijn, moeten er twee brandblussers zijn (zelfs al wordt er maar één appartement "toeristisch" verhuurd).

M.a.w de brandbestrijdingsmiddelen die reeds aanwezig zijn in de gemeenschappelijke delen kunnen enkel in de onderstaande gevallen volstaan:

  • Eén appartement (van max. 150 m²) per bordes: er is één haspel of één brandblusser aanwezig op het bordes
  • Twee appartementen (van elk max. 150 m²) per bordes: er is een haspel én een brandblusser aanwezig op het bordes, of er zijn twee brandblussers aanwezig.

De brandblussers dienen ook jaarlijks gecontroleerd te worden. Attest of factuur is niet altijd in het bezit van de eigenaar. Op de brandblusser is vaak een etiket met registratie van het nazicht aanwezig dat als bewijs kan dienen.

18.5 Zijn twee brandblussers van 3 kg evenwaardig aan 1 brandblusser van 6 kg?

Neen. Twee brandblussers van 3 kg worden niet aanvxfaard.

18.6 Hoe dien ik de goede werking van mijn draagbare brandblusser aan te tonen?

De goede werking dient jaarlijks aangetoond te worden door een bevoegd technicus. Deze verleent u hierboor een positief attest van nazicht of kleeft een sticker op de brandblusser. Zowel het attest als de sticker worden aanvaard. Eén van de twee is een voldoende bewijs.

Een factuur of kasticket van aankoop of onderhoud van de brandblusser wordt niet aanvaard. Met een factuur van aankoop kan u niet aantonen dat de brandblusser minder dan een jaar geleden werd nagezien door een bevoegd technicus. De brandblusser kan reeds 5 jaar in de winkel staan voor u deze koopt. Uitzondering hierop is wanneer de productiedatum op de brandblusser is aangegeven.

18.7 Kan ik mijn brandblusser bij een doe-het-zelf-zaak of op internet kopen?

Indien u een attest van nazicht door een bevoegd technicus of indien er een sticker van onderhoud aanwezig is op de fles dan zal deze brandblusser aanvaard worden.


19. Wat zijn de uitbatingsvoorschriften?

Artikel 5.1 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

Naast de maatregelen, vermeld in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant de nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen. 

De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van het toeristische logies, zijn verplicht om in iedere verhuureenheid minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen:

1° instructies in geval van brand, minstens opgesteld in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels. De instructies vermelden ook het verbod om de eventuele liften te gebruiken in geval van brand

 Je vindt een voorbeeld op de link: http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten

2° een vereenvoudigd samenvattend plan met aanduiding van de plaats waar de verhuureenheid zich bevindt ten opzichte van de evacuatiewegen en - mogelijkheden en de brandvoorzieningen 

Je vindt een voorbeeld op de link: http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten

3° het internationale noodnummer 112

4° de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf bereikbaar is in geval van nood. 

Je vindt een voorbeeld op de link: http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/documenten

 

20. Wat zijn de termijnen van de keuringsattesten?

Artikel 6 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit

1. De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitgevoerd worden. De data van de controles, de vaststellingen die tijdens die controles zijn gedaan en de instructies voor het personeel worden geregistreerd en ter beschikking gehouden.

2. De technische uitrusting en de veiligheidsuitrusting van de inrichting worden in goede staat gehouden.

20.1 In welk deel van het logies / gebouw dient de keuring te worden uitgevoerd?

Indien de vakantiewoning deel uitmaakt van een appartementsblok, dan worden er enkel de keuringsattesten van het privatieve (individuele) logies opgevraagd en niet van de gemeenschappelijke delen.


De exploitant laat die uitrusting op zijn verantwoordelijkheid door bevoegde personen periodiek onderhouden en controleren overeenkomstig de onderstaande tabel:

VOORWERPUITVOERDERPERIODICITEIT
laagspanningEOvijfjaarlijks
gasleidingen en aansluiting gastoestellen, vaste lpg-tanks – dichtheidscontroleBTvierjaarlijks
verwarmingstoestellen (inclusief de warmwatertoestellen) op gasvormige brandstof - goede werking, inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbrandingBTtweejaarlijks
verwarmingstoestellen (inclusief de warmwatertoestellen) op vloeibare of vaste brandstof (bijvoorbeeld stookolie) - goede werking, inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbrandingBTjaarlijks
schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare of vaste brandstof)BTjaarlijks
autonome branddetectorenBPdriemaandelijks
automatische branddetectie (als die aanwezig is) - conformiteitGKIbij ingebruikname of bij wijzigingen van de installatie 
automatische branddetectie (als die aanwezig is) - autonomie, goede werking, inclusief bij brand zelfsluitende brandwerende deuren en luiken, verluchtingsopeningenGKIjaarlijks
draagbare brandblustoestellen - goede werkingBTjaarlijks
blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen, ladders enzovoort - goede staat en bruikbaarheidBPtijdens de uitbating continu


Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder: 

1° EO: erkend organisme

2° BT (bevoegde technicus): een persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles uit te voeren (bijvoorbeeld gasdichtheid: gehabiliteerde installateur; verwarming: erkende technicus enzovoort)

3° BP (bevoegde persoon): een persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft

4° GKI: geaccrediteerde keuringsinstelling.

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van gehabiliteerde installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via 02 383 02 00 of

 

21. Waar kan ik voor de keuring van de laagspanningsinstallatie terecht?

Om de vijf jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er ook overeenkomstig het AREI (algemeen reglement op de elektrische installaties) een herkeuring nodig.

Het keuringsverslag moet afgeleverd worden door een erkende of geaccrediteerde organisatie (EO). Voor meer info kan je terecht bij het contactcenter van de FOD economie via 0800 120 33. Deze instelling vind je ook terug op de website: 

Voor meer informatie en de lijst van gehabiliteerde installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

of via 02 553 79 97 of

 

23. Waar kan ik voor de keuring van de algemene automatische branddetectie terecht?

De installatie moet jaarlijks worden gekeurd door een geaccrediteerde keuringsinstelling (GKI). Daarnaast is ook een jaarlijks onderhoud noodzakelijk. 

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website:

 Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

 

25. Waar kan ik voor de keuring van de brandbestrijdingsmiddelen terecht?

Alle brandbestrijdingsmiddelen moeten jaarlijks onderhouden worden, zowel de snelblusapparaten als de axiale muurhaspels en hydranten. Zowel de ondergrondse als bovengrondse hydranten, gelegen op het terrein van de instelling vallen hieronder. 

Het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus.

Deze instellingen (technici brandbeveiligingsapparatuur) vind je terug op de website:

Voor meer informatie kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

 

26. Waar kan ik voor de keuring van de verwarmingsinstallatie terecht?

Om de een of twee jaar (afhankelijk van de gebruikte brandstof) is er een nieuw schriftelijk bewijs van de onderhoudsbeurt nodig, afhankelijk van de installatie (brandstof, leeftijd toestel en vermogen). De vigerende wetgeving is van toepassing: 

    • Voor een centrale verwarming op vaste of vloeibare brandstof is een jaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht.
    • Voor een centrale verwarming op gasvormige brandstof is een tweejaarlijks onderhoud door een bevoegd technicus (BT) verplicht.

Het schriftelijk bewijs van de periodieke onderhoudsbeurt geldt als keuringsverslag. Voor meer informatie over de vigerende wetgeving kan je terecht bij de Vlaamse Overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie: 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van gehabiliteerde installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via 02 383 02 00 of https://www.aardgas.be/nl/particulier/installateur

De elektrische waterkokers die men in de keuken gebruikt vallen niet onder de bedoelde ‘warmwatertoestellen’ die deel uitmaken van de verwarmingsinstallatie. 


27. Waar kan ik voor de keuring van de gasinstallatie terecht?

Om de vier jaar is er een nieuw keuringsverslag nodig. 

Bij een fundamentele wijziging aan de installatie is er een herkeuring nodig. 

Een bevoegd technicus (BT): De controle en/of het onderhoud moet gebeuren door een bevoegd technicus of installateur, die een schriftelijk bewijs aflevert aan de inrichting. Dit kan de installateur of de fabrikant zijn. Deze persoon of instelling moet in het bezit zijn van een gepaste toegang tot het beroep op basis van de zogenaamde vestigingswet (bijvoorbeeld erkende aannemer). Vraag na of je installateur hiervoor een erkenning bezit.

Voor meer informatie en de lijst van gehabiliteerde installateurs kan je ook terecht bij de Dienst Beste Beschikbare Technieken (BBT) en Erkenningen:

Voor meer informatie en de lijst van een erkende installateur van de verwarmingsinstallatie kan je ook terecht bij de Koninklijke vereniging van Belgische Gasvaklieden, via: 02 383 02 00, of:

 

30. Wie voert de hercontrole uit nadat de Technische Commissie Brandveiligheid een afwijking op de brandnormen verleende?

Een toeristisch logies voldoet niet aan het Brandveiligheidsbesluit. Er wordt een C-attest afgeleverd. 

De exploitant besluit om een afwijking aan te vragen bij de Technische Commissie Brandveiligheid. De Technische Commissie Brandveiligheid verleent de afwijking. 

De exploitant vraagt een hercontrole aan bij het keuringsorgaan indien het een toeristisch logies betreft tot 5 kamers voor 12 personen en bij de burgemeester voor grotere toeristische accommodaties die moeten voldoen aan bijlage 3 vanaf 6 kamers voor meer dan 12 personen.

Het brandattest wordt een A - attest, afgeleverd en ondertekend door het keuringsorgaan (bijlage 2) of de burgemeester (bijlage 3).

 

31. Tot wie moet ik mij richten om een adviesinspectie op de brandnormen te krijgen?

Indien het een kleinschalig logies uit bijlage 2 van het brandveiligheidsbesluit betreft en het geen vraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning betreft, dan kan je dit adviesbezoek aan Vinçotte aanvragen (tegen betaling).

Indien het echter het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning betreft van het kleinschalig logies in bijlage 2 dan is de brandweer bevoegd voor een advies op plan. Zij zullen voor de noodzakelijke controle ter plaatse doorverwijzen naar het officieel aangesteld keuringsorgaan Vinçotte.

Voor bijlage 3 en 4 is het steeds de brandweer die je dossier zal beoordelen.

 

32. Aan welke bijlage moeten aparte gebouwen met elk twee onafhankelijke evacuatiewegen voldoen? 

Artikel 3.3 uit bijlage 2 (maximaal vijf kamers) uit het brandveiligheidsbesluit stelt:

In hetzelfde gebouw kunnen zich verschillende toeristische logiezen bevinden.

Als zich in hetzelfde gebouw verschillende toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid bevinden, zijn die toeristische logiezen (met meer dan één verhuureenheid) brandwerend ten opzichte van elkaar gescheiden en beschikken ze elk over eigen onafhankelijke evacuatiewegen

en artikel 2.1 uit bijlage 3 (meer dan vijf kamers) laatste alinea:

In hetzelfde gebouw kunnen zich verschillende toeristische logiezen bevinden.

Als zich in hetzelfde gebouw verschillende toeristische logiezen met meer dan één verhuureenheid bevinden, zijn die toeristische logiezen (met meer dan één verhuureenheid) brandwerend ten opzichte van elkaar gescheiden en beschikken ze elk over eigen onafhankelijke evacuatiewegen

Aparte gebouwen (exploitaties) en bijgevolg aparte erkenningen zou kunnen. 

Aparte erkenningen heeft invloed op de (vrijwillige) comfortclassificatie.

 

33. Moeten de structurele elementen zoals dragende wanden over een brandwerendheid beschikken als het om een kleinschalig logies gaat?

Bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit bevat geen bepalingen over de brandwerendheid van de structurele elementen.

 

34. Kunnen gekoppelde autonome detectoren gecombineerd worden met een automatisch branddetectiesysteem?

De koppeling van autonome en automatische branddetectie is toegelaten op voorwaarde dat de koppeling functioneel is en gewaarborgd blijft.

 

35. Wat is de geldende norm voor de noodverlichting?

In de bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit werd er geen bepaling over de nood- veiligheidsverlichting opgenomen. 

De goede praktijk houdt in dat er 1 lux op het evacuatietraject dient aanwezig te zijn.

 

36. Wat is de invloed van de nieuwe bepaling in de basisnormen op de brandveilige deuren in een vakantiewoning?

De nieuwe bepaling in de federale basisnormen heeft geen invloed op de regelgeving van brandveilige deuren in een toeristisch logies.

 

37. Worden een kinderbedje en/of reisbedje als een slaapplaats beschouwd?

In het exploitatiebesluit staat dat een divanbed, een zetelbed, een stapelbed, een vast opklapbed, een bedkast of een vergelijkbare voorziening als een bed en een slaapplaats worden beschouwd.

Bedden die slechts sporadisch worden opgesteld zoals een kinderbedje worden niet als een vaste slaapplaats beschouwd.

 

38. Wat is het verschil tussen een ‘Toerisme voor Allen ‘verblijf en een hostel?

Het Toerisme voor Allen decreet van 18 april 2008 blijft bestaan voor sociale logies andere dan de hostels en volwassencentra.

Er is een afzonderlijke Technische Commissie Brandveiligheid voor Toerisme voor allen verblijven. De Toerisme voor Allen verblijven worden ingedeeld in de categorie A,B of C type en de hostels. Per type worden een aantal minimumvoorwaarden opgesomd. Daarin verschilt het uitrustingsniveau zoals aantal douches, bedden, daglokalen. 

Meer info: www.jeugdverblijven.be/erkenningen-en-types

Bijvoorbeeld:

  • Een jeugdverblijfcentrum van het type A moet niet voorzien zijn van bedden.
  • Een type B moet dan wel weer minimaal bedden hebben, maar bijvoorbeeld ook douches. 
  • Een type C is nog beter uitgerust. Zo moeten er onder andere voldoende daglokalen zijn en op de bedden ook dekens, kussens en beschermhoezen voorzien zijn. 
  • Een hostel heeft een aantal specifieke kenmerken en is bijvoorbeeld geschikt om individuele toeristen te ontvangen.

 

39. Wat is een huishoudelijke keuken?

Door het ontbreken van een definitie neemt men het volgende als criterium:

  1. de capaciteit van de accommodatie
  2. het vermogen van de keuken
  3. wie de keuken bedient: personeel hostel of zelfbediening

Een huishoudelijke keuken is beperkt tot een gebruik voor maximaal voor 12 personen (bijlage 2) 

De keuken bestemd voor meer personen moeten voldoen aan de norm 6.3 uit bijlage 3 met name:

Artikel 6.3 uit bijlage 3:

Restaurants en keukens, met uitzondering van huishoudelijke keukens 

De keukens en de combinaties keuken-restaurant, uitgerust met kook-, braad-, bak- of frituurinstallaties, zijn begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton, of een brandwerendheid hebben van:

1° EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;

2° EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en 3. 

Deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI130 en zijn zelfsluitend of bij brand zelfsluitend”

 

40. Aan wat moet een logies type Tipi voldoen?

Een logies zoals tipi’s zal brandtechnisch wordt als volgt behandeld:

  1. Als het gaat om een logies met vaste wanden: kamergerelateerd 
  2. Als het gaat om een logies met losse wanden (type tent): een terreingerelateerd logies 

In de beslissing van een terreingerelateerde tipi zullen volgende voorwaarden worden opgenomen:

Gunstig om het ontbreken van een tweede evacuatieweg te aanvaarden op voorwaarde dat

  1. Het enkel om één Tipi met maximaal vier personen gaat 
  2. Er in de zone gelegen in een straal van 4 meter gemeten omheen de Tipi er zich geen brandbare elementen bevinden. Deze zone dient dus ten alle tijden te worden vrijgehouden van vaste constructies en ontdaan van verdroogd hoogstaand gras en verdroogde struikgewassen 
  3. Gemotoriseerde voertuigen en aanhangwagens buiten het terrein worden geparkeerd
  4. De Tipi zich situeert op maximaal 60 meter van een voor de hulpvoertuigen berijdbare weg 
  5. De gemeenschappelijke voorzieningen in de tuin beantwoorden aan de algemeen geldende reglementeringen, zoals het ARAB en het AREI. De daarin voorziene controles dienen te worden gerespecteerd; 

In de nabijheid van de Tipi er een centraal gelegen brandbluspost is voorzien. Deze brandbluspost is duidelijk zichtbaar en steeds bereikbaar.’ Indien het meer dan één Tipi betreft dan moet de afstand tussen de verblijven minstens vier meter zijn.

 

41. Is er een attest nodig voor de brandwerendheid van de vloeren?

Artikel 3.1 en artikel 3.2 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit 

3.1 Ieder toeristisch logies wordt van nevenliggende gebouwen of andere toeristische logiezen afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60. Eventuele verbindingen of doorgangen in die wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI130.

Als het toerisisch logies minstens vier meter verwijderd is van het nevenliggende gebouw of toeristisch logies en er zich in die vrije ruimte geen brandbare elementen bevinden moet hieraan niet worden voldaan.

 

3.2 Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door: 

1° horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton

2° zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130. 

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn. 

Indien de muren van metselwerk of beton zijn is er geen attest nodig.

Een vloerplaat is een horizontale wand. Dit betekent dat de vloerplaat over een brandwerendheid van minstens EI 60 moet beschikken. Voor de vloerafwerking (bijv. tapijt, laminaat, …) wordt er geen brandreactie gevraagd.

Deze norm is enkel voor horizontale of verticale wanden dus is niet van toepassing op de daken.

Indien er geen brandwerendheid kan worden aangetoond kan je een afwijking bij de Technische Commissie Brandveiligheid indienen.


42. Wat is een logboek?

Een logboek of veiligheidsregister is een schriftje, blad papier, elektronisch bestand,...waarin je de status van de uitgevoerde controles bijhoudt. Je dient zowel de externe controles te registreren (bijvoorbeeld keuring elektriciteit) als de controles die je zelf dient uit te voeren (bijvoorbeeld controle evacuatiewegen). Je noteert wie de controle heeft uitgevoerd, waneer dit is gebeurd en wat het resultaat was van de controle. Indien je bijvoorbeeld een rookdetector hebt vervangen, dan noteer je diot in het logboekd.

Het is een handig middel om de wettelijke periodiciteiten van de keuringen bij te houden. Bovendien kan je hiermee aantonen aan de bevoegde overheid dat het logies in orde is.


43. Dient de toegangsdeur van een vakantieappartement in een appartementsblok over een brandwerendheid EI1 30 te beschikken en zelfsluitend of bij brand zelfsluitend te zijn?

Artikel 3.2 uit bijlage 2 van het Brandveiligheidsbesluit :

Het toeristische logies wordt van andere gedeelten van of in het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, afgescheiden door: 

1° horizontale en verticale wanden met een brandwerendheid EI 60 of die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton

2° zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI130. 

Indien de toegangsdeur van het toeristische logies ook de toegangsdeur van de verhuureenheid is, moet deze niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend zijn. 


                             Figuur uit het ontwerpen van een brandveilig gebouw - PHLdA - PVL AFL. 9 / DEC 00 - O die keure 4.91 p1.6.

                                                   vierkant = vakantie appartement

Het voorbeeld geeft twee vakantie appartementen weer op eenzelfde gemeenschappelijke gang.

De gang is gemeenschappelijk wat betekent dat de gang niet behoort tot het individuele vakantieappartement zelf. De gemeenschappelijke gang maakt geen deel uit van de verhuureenheid.

De gemeenschappelijke gang is niet functioneel gerelateerd. Bijgevolg dient het vakantieappartement te worden afgescheiden door een toegangsdeur die beschikt over een brandweerstand EI130.

Indien de deur tevens de toegangsdeur van het vakantie -appartement is dan hoeft deze toegangsdeur niet zelfsluitend of bij brand zelfsluitend te zijn.

Het verschil met een alleenstaande vakantiewoning bestaat erin dat hier de toegangsdeur rechtstreeks naar buiten geeft. De gasten kunnen zich onmiddellijk van de woning verwijderen op een veilige afstand. In dit geval is er dan ook geen toegangsdeur nodig die over brandwerendheid beschikt.

 

44. Welk brandattest moet de exploitant kunnen voorleggen wanneer het toeristisch logies dat bestaat uit 3 vakantiewoning telkens voor 8 personen zowel wordt gepromoot als 3 afzonderlijke vakantiewoningen voor 8 personen (bijlage 2) als het geheel als 1 vakantiewoning voor 24 personen (bijlage 3)?

Bij het aanbieden van een (individuele) vakantiewoning voor maximaal 8 personen: bijlage 2

Bij het aanbieden van een (gehele) vakantiewoning voor 24 personen: bijlage 3

Bij het aanbieden door elkaar van zowel individuele vakantiewoningen als de gehele vakantiewoning: beide bijlage met name 3 x bijlage 2 en 1 x bijlage 3

De reden voor twee bijlagen betreft de compartimentering uit de norm 3.1 dat bepaalt dat ieder toeristisch logies (individuele vakantiewoning ) van andere toeristische logiezen ( de andere individuele vakantiewoningen) wordt afgescheiden door horizontale en verticale wanden die in metselwerk of beton zijn gebouwd of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60

.